Een wiek van een windturbine maakte vorige week in de Wieringermeer een abrupt einde aan het leven van een Franse lammergier. Alhoewel windmolens onder vogels veel minder slachtoffers maken dan katten, gebouwen en auto's, vormen ze voor roofvogels wel degelijk een probleem, zegt de Wageningse ecoloog Ralph Buij tegen NU.nl.

Recent onderzoek uit Noorwegen en de VS toont aan dat er effectieve oplossingen zijn. "Een bezoek aan het nieuwe Zeeuwse windpark Krammer had deze gier hoogstwaarschijnlijk overleefd", meent Buij.

Vogels kunnen worden geraakt door de wiek van een windmolen. Hoe groot die kans is en hoe groot het effect op de aantallen is, verschilt sterk per soort, concludeerde Buij vorig jaar in een studie.

"Het klopt dat bijvoorbeeld loslopende katten in Nederland een extreme veelvoud van het aantal vogelslachtoffers maken. Daarbij vergeleken - en ook bij bijvoorbeeld botsingen met gebouwen en auto's - lijken windmolens erg mee te vallen."

Maar zwevende roofvogels, van wespendieven tot zeearenden, zijn volgens de ecoloog wel degelijk gevoelig. Ze vliegen op relatief grote hoogte en veranderen al zwevend niet makkelijk van koers. Gieren kijken bovendien vooral omlaag.

Daarnaast kunnen deze vogels oud worden, wat betekent dat ze zich vaak langzamer voortplanten dan kleinere soorten, zoals de meeste tuinvogels. "Een klein percentage extra sterfte leidt dan sneller tot achteruitgang. Dat is nadelig voor vogels die om andere redenen al onder druk staan, zoals de bruine kiekendief."

70 procent minder sterfte met een lik zwarte verf

Het probleem speelt niet alleen in Nederland. Zo vloog een Nederlandse zeearend onlangs tegen een Duitse windturbine. Ook in Noorwegen worden veel zeearenden slachtoffer van windturbines.

In dat land zijn daarom in een experiment de punten van de wieken van windmolens zwart geverfd, zodat vogels beter zien dat de bewegende delen gevaarlijk voor ze zijn. Dat blijkt behoorlijk effectief te zijn, zegt Buij. Het zwart verven van de wieken leidt tot 70 procent minder vogelsterfte.

Camera- en geluidsdetectie werkt nog beter

Maar er iets dat nog beter werkt: cameradetectiesystemen. Die kijken 360 graden rond het park en kunnen roofvogels vanaf 600 meter afstand herkennen. Sommige geven een alarmsignaal. Als dat wordt genegeerd, staat de rotor binnen vijftien seconden stil, aldus Buij.

Uit Amerikaans onderzoek blijkt het aantal botsingen bij onder andere zeearenden door cameradetectie met meer dan 80 procent af te nemen. "De techniek is relatief niet zo duur en het verlies van energieopbrengst kan heel beperkt blijven. De vraag is of we het belangrijk genoeg vinden dat er geen vogels tegenaan vliegen."

Zo'n waarschuwingssysteem is toegepast bij een nieuw windpark op de Philipsdam in Zeeland en zou de standaard kunnen worden voor nieuwe windparken. Voor vleermuizen heeft het park ultrasone geluidsdetectoren.

Oorzaken vogelslachtoffers in de VS (2017)

Loslopende huiskatten maken jaarlijks veel meer slachtoffers dan windmolens. Ook gebouwen en auto's zijn een aanzienlijk grotere factor. Dit betekent niet dat de toename van het aantal windmolens geen probleem is voor specifieke vogelsoorten.

Met radar de (nachtelijke) vogeltrek volgen

Er is nog wel meer te bedenken. Zo werkt professor Willem Bouten van de Universiteit van Amsterdam aan een systeem om via radar trekvogels te kunnen volgen. Bij het naderen van zwermen kunnen windparken dan tijdelijk uitgeschakeld worden. Dat kan een belangrijke aanvulling zijn, omdat sommige trekvogels ook 's nachts vliegen.

Omdat veel vogels vaste trekroutes hebben, zouden ecologen graag zien dat de windparken daar bewust buiten worden geplaatst. Dus op de Noordzee bijvoorbeeld liever wat verder van land af. Daar hangt een prijskaartje aan, aangezien de bodem daar ook dieper ligt.

Hogere windmolens, geconcentreerd in parken

De trend op zee is dat de windmolens steeds groter worden. Dat is daar volgens Buij een goede ontwikkeling. Die zijn namelijk zo hoog, dat de meeste vogels eronderdoor vliegen.

Ten aanzien van windparken op land zijn de belangen soms tegengesteld. Als je roofvogels wil beschermen, wil je ze vooral niet in bosgebieden plaatsen en zijn gebieden met veel menselijke bewoning misschien nog wel het geschiktst.

Daarnaast is het voor vogels beter als windmolens dicht op elkaar staan in parken in plaats van een even groot aantal losse molens verspreid over het land. Met de verspreide turbines is de kans namelijk groter dat er meer windmolens in de buurt van broedende roofvogels staan, zo zegt Buij op basis van Zwitsers onderzoek.