Alle CO2-uitstoot tot nog toe leidt mogelijk al tot een opwarming van meer dan 2 graden, blijkt uit een nieuwe studie. Toekomstige uitstoot komt daar nog bovenop. Zo'n hoge opwarming heeft grote gevolgen voor Nederland, waarschuwt hoogleraar fysische geografie Maarten Kleinhans van de Universiteit Utrecht.

Afgelopen donderdag uitte KNMI-directeur Gerard van der Steenhoven bij de NOS zijn zorgen over dreigende overschrijding van de grens van 1,5 graad opwarming, en riep het nieuwe kabinet op er een schep bovenop te doen om de opwarming tegen te gaan.

We zouden nu afkoersen op 3 graden opwarming. "Dat leidt tot een dramatische toestand. Iedereen zal zich moeten realiseren dat we aan de bak moeten", aldus Van der Steenhoven.

Het KNMI verwees onlangs naar een studie die laat zien dat opwarming die nog volgt uit uitstoot uit het verleden, mogelijk sterk wordt onderschat. Gebieden die langzamer opwarmen, zoals de Zuidelijke Oceaan, maken uiteindelijk een inhaalslag die (via veranderingen in bewolking) de wereldwijde opwarming kan versterken.

Een opwarming tot 2,3 graden zou daarom al onvermijdelijk zijn. De opwarming door toekomstige CO2-uitstoot komt daar nog bovenop.

3 graden opwarming brengt ijskappen voorbij kantelpunt

De gevolgen van klimaatverandering nemen onevenredig toe naarmate de opwarming hoger uitpakt. Daarnaast zijn veel gevolgen, zoals zeespiegelstijging, sterk vertraagd. Dat komt door de trage reactie van ijskappen, die inmiddels versneld ijs verliezen. Op een gegeven moment kan die afsmelting een kantelpunt bereiken, waarna ijskappen vrijwel volledig kunnen verdwijnen. Voor Groenland en West-Antarctica liggen die kantelpunten vermoedelijk tussen 1,5 en 2 graden.

"Een onontkoombaar gevolg van 3 graden voor de tweede generatie na ons is niet te stuiten zeespiegelstijging. En met de zee stijgen ook de rivieren over de hele breedte van Nederland. In het rivierengebied beschermen we bij extreem hoogwater nu steden door water te lozen in dunbevolkte polders, maar met opstuwing door zeewater heeft dat geen zin meer."

Die rivieren maken Nederland een delta: de monding van de Rijn, Maas, Schelde en Eems op de Noordzee. Natuurlijke processen kunnen zo'n delta in evenwicht houden en zelfs wat zeespiegelstijging opvangen.

Door dijken komt ons land steeds lager te liggen

Maar die natuurlijke processen krijgen geen ruimte meer, zegt Kleinhans. Het probleem zijn onze dijken; die voorkomen dat rivieren buiten hun oevers treden en de zee bij elk hoogwater binnenstroomt. Maar die (kleine) overstromingen hebben ons land juist gemaakt, door klei af te zetten. Dat gebeurt al eeuwen niet meer.

Bovendien ontwateren we onze veengebieden. Beide hebben als gevolg dat de bodem steeds verder inklinkt en wegzakt, en half Nederland dus steeds dieper komt te liggen - achter steeds hogere dijken. Er is dus ook steeds meer bemaling nodig om de polders droog te houden, maar door die bemaling wordt zout zeewater onder de dijken door naar binnen gezogen. Dat zoute grondwater heeft weer grote gevolgen voor de landbouw.

Wilde ideeën om een dam om Nederland te bouwen noemt Kleinhans onzinnig. "In het woeste plan van een dikke muur om de hele Nederlandse kust moeten we de rivieren machinaal naar zee pompen en die pompen mogen nooit falen. Maar scheepvaart heeft sluizen nodig, en die kunnen falen, om over de ecologische gevolgen nog maar te zwijgen. In combinatie met bestrijding van de andere gevolgen van klimaatverandering worden de kosten ook astronomisch."

Minder uitstoot en gecontroleerd overstromen

Volgens Kleinhans is het dan ook een beter plan om het probleem bij de echte bron aan te pakken: de uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast moet in plaats van steeds hogere dijken en steeds diepere polders geprobeerd worden om het land lokaal iets op te hogen.

"Langs de Schelde en de Eems kan dat met gecontroleerde overstromingen, in zogeheten wisselpolders. We voeren in Nederland waterbeleid, maar zouden ook 'sedimentbeleid' moeten voeren - om het wegzakken van Nederland te stoppen."