Veel vogelsoorten die jaarlijks tussen Europa en Afrika heen en weer trekken, gaan sterk in aantallen achteruit. Ontbossing, intensivering van de landbouw en jacht langs trekroutes over de Middellandse Zee zijn bekende problemen. Daar komen regionale verschillen in het tempo van klimaatverandering bovenop.

De grutto, koekoek, wielewaal, lepelaar, vliegenvanger en de huiszwaluw. Zomaar een greep uit een lange lijst 'typisch Nederlandse' vogels, die de helft van het jaar Afrikaans zijn. Deze zogeheten langeafstandstrekkers, ze broeden in Noord-Europa en overwinteren in tropisch Afrika, gaan bijna allemaal hard achteruit, schrijven Britse onderzoekers in ecologisch vakblad Diversity and Distributions.

"Voor Nederland lijken die trends vergelijkbaar met de dalingen die we in het Verenigd Koninkrijk zien", zegt teamleider Stephen Willis van Durham University tegen NU.nl. "Een krachtige illustratie is bijvoorbeeld de tortelduif, of zomertortel. In Nederland is die sinds 1990 met maar liefst 95 procent achteruit gegaan."

"Dat komt door een optelsom van factoren: intensivering van de landbouw in Nederland, jacht tijdens de trek en waarschijnlijk verlies aan leefgebied om te overwinteren."

Langeafstandstrekkers hebben klimaatverandering als extra probleem

Veel vogels trekken om twee redenen in de herfst naar het zuiden weg: kou en voedselgebrek. Zo hebben insecteneters hier 's winters vrijwel niets te eten, terwijl ze door de lagere temperaturen wel veel extra calorieën nodig hebben. Een tijdig uitgevoerde vlucht van duizenden kilometers, hoewel die ook veel energie kost, is daarom voor veel soorten essentieel om te overleven.

Daarbij hebben ze twee opties: rond de Middellandse Zee blijven, of gelijk de verre oversteek maken naar tropisch Afrika. Het tussenliggende gebied, de Saharawoestijn, is voor de meeste vogels ongeschikt als overwinteringsgebied.

Veel vogels, zoals deze grutto's trekken om twee redenen in de herfst naar het zuiden weg: kou en voedselgebrek. (Foto: 123RF)

De lengte van hun reis betekent ook dat trekvogels tegen verschillende milieuproblemen aanlopen. Zo hebben langeafstandstrekkers in toenemende mate te maken met 'mismatches' in het tempo van klimaatverandering: de lente in Europa begint veel sneller, terwijl de overwinteraars in Afrika daar geen seintje van krijgen - en dus te laat arriveren om hun jongen goed te laten profiteren van een piek in het voedselaanbod.

Zachtere winters en vroegere lentes dubbel nadeel voor verre reizigers

Korteafstandstrekkers lijken minder kwetsbaar voor regionale verschillen in de klimaatverandering. "We zien dat de soorten die in Zuid-Europa overwinteren het over het algemeen veel beter doen dan de trekvogels die naar tropisch Afrika trekken. Sommige profiteren mogelijk zelfs van de mildere winters", aldus Willis.

En dat creëert weer een nieuw probleem voor de vogels die uit Afrika terugkeren, voegt hoofdauteur Christine Howard toe. "Sommige achterblijvers kunnen profiteren van de zachtere Europese winters. Daar komt bovenop dat deze soorten al een voorsprong nemen bij het vroeger beginnen van de lente."

"De langeafstandstrekkers komen dus niet alleen te laat terug uit de tropen, maar hebben als ze op zoek zijn naar een geschikte broedplek vervolgens ook te maken met toenemende concurrentie van enkele andere soorten."

Ook tijdens de overwintering in Afrika ondervinden de vogels veel problemen. Het verlies aan leefgebied, bijvoorbeeld door ontbossing, gaat daar sneller dan in Europa.