De sneeuwhaas en poolvos kennen veel mensen uit natuurfilms van het hoge noorden. Maar ook in Nederland leeft een dier dat 's zomers bruin is en in de winter een sneeuwwitte vacht krijgt: de hermelijn. Een oer-Hollands roofdiertje, waar het niet goed mee gaat, zo zeggen onderzoekers van de Zoogdiervereniging.

Er leven in ons land van nature zeven marterachtigen. De das is de grootste en de wezel de kleinste. Naast de otter, bunzing, steen- en boommarter hebben we ook nog de hermelijn. Een roofdier dat eens algemeen voorkwam in alle provincies, maar volgens marterexperts stilletjes uit Nederland lijkt te verdwijnen.

De hermelijn is een slag groter dan een wezel, en daarom ook gespecialiseerd in grotere prooien, zoals konijnen. Daarom kwam het dier vroeger veel voor in de duinen, tot de vos daar verscheen, vertelt Maurice La Haye, onderzoeker van de Zoogdiervereniging, aan NU.nl. Die eten dezelfde prooien, maar óók de concurrerende hermelijnen, die zelf veel kleiner zijn dan een konijn.

In sneeuwwinters zijn hermelijnen in het voordeel

In een kouder klimaat had de hermelijn op de andere jagers een streepje voor: elke herfst krijgt deze marter een sneeuwwitte vacht, elke lente wordt deze (met uitzondering van de buik) kastanjebruin. In november en maart is het dier in de rui, en zie je dus gemengde hermelijnen lopen, zegt La Haye.

Een eeuw geleden, toen Nederland 's winters nog regelmatig onder een sneeuwdek lag, was het een duidelijk voordeel. Met een witte vacht was het makkelijker om prooien te vangen, en om te voorkomen dat je er zelf een wordt.

Inmiddels moet de winter een magere tijd zijn voor deze marterachtige, die zelfs 's nachts opvalt. Toch blijkt bijvoorbeeld uit foto's op Waarneming.nl dat hermelijnen in Nederland nog steeds spierwit worden.

Worden hermelijnen in de toekomst bruin?

La Haye zou de invloed van klimaatverandering op de hermelijn graag verder willen onderzoeken. Bijvoorbeeld door te kijken of er een trend zit in meldingen van de eerste witte hermelijn. "Op Waarneming.nl gaat dat terug tot ongeveer 2007. Maar bijvoorbeeld Naturalis heeft ook een grote historische collectie hermelijnen, vaak met vindplaats en datum, waar wellicht een klimaattrend uit te halen valt."

"Uiteraard is de witte wintervacht genetisch vastgelegd", zegt La Haye. "Maar dan nog moet er een trigger zijn om te verkleuren." Als dat bij hermelijnen het dalen en stijgen van de temperatuur was, kon het dier zich eenvoudig aanpassen aan klimaatverandering. Dan zou in een zachte winter de witte vacht vanzelf wegblijven. "De genetische schakelaar zit bij hermelijnen echter in de blootstelling aan de daglengte: het korter en langer worden van de dagen in de loop van het jaar."

Desondanks schijnt een deel van de zuidelijke hermelijnen, die van Scandinavië tot Frankrijk voorkomen, een bruinere vacht te houden. Hoe kan dat dan? La Haye: "De daglengtes per seizoen in Zuid-Frankrijk verschillen minder dan in Nederland, wat een verklaring kan zijn waarom hermelijnen die zuidelijker leven niet of minder vaak wit worden in de winter. In dat geval zijn de aanpassingsmogelijkheden aan opwarming kleiner."

Brede heggen en rietkragen helpen hermelijn

Valt er iets te doen om de hermelijn een handje te helpen? Dat zit volgens La Haye in Nederland vooral in het landschap. Marterachtigen zijn gebaat bij rommelige, dichtbegroeide hoekjes. "Bijvoorbeeld ruige, brede heggen, die vooral niet te veel getrimd worden. En in West-Nederland zijn brede rietkragen belangrijk. Dat komt ook de prooidieren ten goede, en daarmee ook weer de marters."