Wie weleens over de Nederlandse snelwegen rijdt, zal het beeld wel kennen: boven op een hoge lantaarnpaal zitten wit-zwarte gestalten op lange dunne poten. Vaak in koppels of kleine groepjes. Een normaal beeld in de zomer. Maar het is al volop winter, en ze zitten er nog steeds. Wordt het niet eens tijd dat de ooievaars weer naar Afrika vliegen?

Inderdaad, ooievaars zijn trekvogels. Sommige trekvogels zijn gelegenheidstrekkers. Zoals grauwe ganzen, die afhankelijk van de weersomstandigheden betrekkelijk korte afstanden heen en weer vliegen om 's winters uit de greep van strenge vorst te blijven.

Maar ooievaars zijn echte intercontinentale trekkers. Ze broeden in Europa en als ze na een voedselrijke zomer weer op krachten zijn gekomen, vertrekken ze eind augustus voor een lange trektocht. Ze vliegen via Gibraltar om de Middellandse Zee heen en vervolgens over de Sahara naar tropisch Afrika. Ooievaars uit Oost-Europa trekken soms zelfs helemaal door tot Zuid-Afrika. Daar is in onze winter voor de vogels veel voedsel te vinden. Pas in februari komen de eerste ooievaars via dezelfde route weer terug, om hier een nest te bouwen.

Dan is er toch wel een aantal dat de bus gemist heeft, kan elke oplettende vogelaar je vertellen. Verspreid over het hele land worden nog steeds waarnemingen van ooievaars gemeld. Bij Meppel in Drenthe werd op 30 december 2019 zelfs nog een groep van honderd stuks gespot.

Eén ooievaarsnest levert gemiddeld drie tot vijf jongen op (Foto: Reuters).

Toename overwinterende ooievaars komt door herstel na DDT-crisis

Je zou daarmee verwachten dat dit een gevolg is van klimaatverandering, maar volgens biologen is er iets anders aan de hand. Sowieso blijft een deel van de ooievaars altijd achter. De toename die mensen kunnen zien in de afgelopen winters (en zomers) is het gevolg van iets anders: het herstel van een milieucrisis door het gebruik van het inmiddels verboden landbouwgif DDT. Ooievaars en ook veel roofvogels zoals buizerds klimmen daardoor in Nederland weer op richting hun natuurlijke aantallen uit het begin van de twintigste eeuw.

DDT is een krachtige insecticide. Omdat het zeer effectief bleek in plaagbestrijding in de landbouw, kreeg de ontdekker ervan in 1948 nog de Nobelprijs voor de Scheikunde. Maar het bleek ook in de verdere voedselketen te belanden en door de onafbreekbaarheid op te hopen in grote roofdieren. Zo wordt DDT tegenwoordig zelfs aangetroffen in ijsberen op de Noordpool en pinguïns op Antarctica. Het werd in de jaren zeventig ook in gevaarlijke concentraties aangetroffen in menselijke moedermelk.

Door het boek Silent Spring uit 1962 van de Amerikaanse bioloog Rachel Carson kantelde de publieke opinie. In Nederland werd het gebruik van DDT in 1973 verboden. In veel ontwikkelingslanden wordt het echter nog volop gebruikt.

Een op de vijf ooievaars blijft plakken in de winter

Het herstel van ooievaars heeft na de ban op DDT wel lang geduurd. Eind jaren zestig was de ooievaar in Nederland bijna uitgestorven en ook in 1990 telde ons land nog maar tien broedparen. Inmiddels broeden er in Nederland volgens de Vogelbescherming zo'n 1.100 paren ooievaars, waarmee de populatie weer volledig hersteld is tot het niveau van ruim een eeuw geleden.

De onderzoeksorganisatie voor ooievaars in Nederland, STORK, organiseert elk jaar een speciale wintertelling. Daarmee proberen ze in kaart te brengen hoeveel ooievaars er nou eigenlijk in ons land blijven overwinteren. Bij de telling van januari 2019 zijn 547 overwinterende ooievaars gemeld. Volgens STORK zijn het vooral de wat oudere ooievaars die geen zin meer hebben in de lange tocht. De jonge ooievaars gaan 's winters juist bijna allemaal naar Afrika.

De Wageningse bioloog Arnold van Vliet vat het simpel samen: "Het overwinteren van ooievaars is een normaal verschijnsel. Dat je ze meer ziet, komt omdat er meer zijn." Volgens Van Vliet gaat het om ongeveer een vijfde van de Nederlandse populatie, en is het overwinteren ook beïnvloed door een succesvol fokprogramma, waardoor een deel van de ooievaars rond broedcentra blijft hangen.

Ook vogelorganisatie Sovon doet onderzoek naar ooievaars. Zij melden dat de ooievaars afkomstig uit fokprogramma's in toenemende mate weer 'wild' gedrag vertonen en zich dus ook over grotere gebieden verspreiden, inclusief de wintertrek naar Afrika. Overigens houden de ooievaars niet van vorst. Bij sneeuw en ijs hebben de overwinteraars daarom volgens Sovon de neiging beschutting op te zoeken in Nederlandse steden.