De kritiek op de toenemende verbranding van biomassa in Nederlandse elektriciteitscentrales zwelt de laatste tijd aan. Daar komt nu een onderzoek bij waaruit blijkt dat het vervangen van kolencentrales door biomassacentrales een stap terug is voor zowel het klimaat als de luchtkwaliteit.

Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitgevoerd door adviesbureau DNV GL. De conclusie: omdat houten pellets een lagere dichtheid hebben dan steenkool, produceren die bij verbranding minder energie.

Vanwege deze inefficiënte verbranding is de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals CO2 en stikstofverbindingen, juist hoger dan bij kolencentrales. Dat betekent niet alleen een grotere klimaatbelasting, maar ook dat omwonenden met een lagere luchtkwaliteit te maken kunnen krijgen.

Het is echter lood om oud ijzer, omdat een soortgelijk probleem geldt voor kolencentrales. Deze centrales hebben ook een relatief hoge CO2-uitstoot per geleverde hoeveelheid energie en stoten daarnaast schadelijke verbindingen als fijnstof en zware metalen uit. Als onderdeel van de Nederlandse klimaatdoelen moet de laatste kolencentrale daarom in 2030 gesloten zijn.

Nederland heeft inmiddels een veertigtal biomassacentrales en er staan nog zo'n twintig nieuwe op de planning. Verbranding van biomassa is goed voor 4,5 procent van de Nederlandse vraag naar energie.

Biomassacentrale is in de praktijk een stuk minder duurzaam

Het onderzoek naar de CO2-uitstoot door biomassacentrales komt boven op eerdere kritiek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Europese wetenschappelijke adviesraad EASAC, die investeringen in verbranding van biomassa een "serieuze mismatch tussen wetenschap en politiek" noemt.

Biomassa kan in theorie duurzaam zijn als er evenveel bomen worden geplant als er worden verbrand, maar de praktijk blijkt een stuk complexer te zijn. Dat komt volgens KNAW-ecoloog Louise Vet onder andere doordat het lang duurt voor een bos na het kappen van bomen weer hersteld is. De verbranding van biomassa leidt bovendien tot een hoge CO2-uitstoot op de korte termijn. Zelfs als alle bomen worden vervangen en het bos daarna tientallen jaren met rust gelaten wordt, belandt er zo toch extra CO2 in de atmosfeer.

Een bijkomend probleem is dat er jaren geleden van werd uitgegaan dat voor de bijstook van biomassa in kolencentrales alleen houtafval van de bosbouwindustrie gebruikt zou worden. Maar doordat er in Europese landen een subsidie voor biomassa is, wordt het voor sommige landen nu lucratief om volledige bossen weg te kappen.

Omdat houten pellets een lagere dichtheid hebben dan steenkool, produceren ze bij verbranding minder energie. (Foto: Reuters)

Amerikaanse natuurbeschermers: Onze oerbossen worden opgestookt

Daarom kreeg Nederland afgelopen weekend ook kritiek van Amerikaanse natuurorganisaties. De toenemende bijstook van biomassa in kolencentrales en de geplande bouw van een groot aantal biomassacentrales, leiden daar nu al tot de kap van oerbossen in de Appalachen, een gebergte in het oosten van de VS. Daar wordt gemengd bos gekapt en worden dennenbossen geplant met de bedoeling het dennenhout steeds opnieuw te oogsten. Dit bos bevat volgens de natuurbeschermers een kleinere hoeveelheid koolstof en veel minder soorten.

"Onze natuur wordt in gevaar gebracht, zodat jullie kunnen pronken met jullie klimaatbeleid. Het is oneerlijk", vat de Amerikaanse organisatie Healthy Gulf de kritiek samen in het AD.

Er is daarnaast ook veel kritiek op het gebruik van duurzaamheidssubsidies voor het stimuleren van biomassa. Onder meer steenkoolbedrijf RWE heeft daar 2,6 miljard euro van ontvangen. Dit geld is besteed aan het ombouwen van een kolencentrale tot een biomassacentrale. EASAC noemt dit verspilling van geld dat nodig is om de transitie naar daadwerkelijk duurzame energie te maken.

Zon en wind wel duurzaam, maar niet voldoende voor grote vraag naar stroom

Die transitie is al met al een behoorlijk lastige puzzel. Zonne-energie groeit in Nederland het snelst, al is het aandeel nu nog kleiner dan dat van biomassa. Daarnaast wordt gewerkt aan grote windparken op de Noordzee. De toename van elektriciteitsopwekking uit zon en wind en de groeiende vraag naar elektriciteit (door de populariteit van warmtepompen, inductiekookplaten en elektrisch rijden) vergen flinke aanpassingen van het stroomnet.

Ook gascentrales blijven belangrijk voor de elektriciteitsvoorziening. Die kunnen in tegenstelling tot kolen- en biomassacentrales relatief eenvoudig aan en uit worden gezet, om zo de elektriciteitsproductie zo goed mogelijk af te stemmen op de vraag. Aangezien in 2022 de Groningse gaskraan dichtgaat, de import van gas duur is en aardgas het klimaat ook belast, is de volgende grote uitdaging het bouwen van capaciteit om de sterker fluctuerende groene stroom uit zon en wind op te slaan.

Dat kan deels met een groot elektrisch wagenpark en het opslaan van elektriciteit uit zon en wind in bijvoorbeeld waterstof of ammoniak. Die energiedragers kunnen bij een grote vraag dan weer omgezet worden in elektriciteit. In theorie hebben we kolen-, gas- en biomassacentrales dan niet meer nodig, maar dan moeten we wel investeren in duurzame alternatieven.