Rond de Noordpool resteert nog slechts een kwart van het totale volume aan zee-ijs, zo blijkt uit satellietwaarnemingen die in 1979 begonnen. Het afsmelten van deze drijvende ijslaag veroorzaakt - in tegenstelling tot landijs - géén zeespiegelstijging, maar heeft wel andere grote klimaatgevolgen.

In het woensdag gepresenteerde klimaatrapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change van de VN is speciale aandacht voor het afsmelten van landijs op Groenland, Antarctica en gletsjers in gebergten. Dat ijsverlies is aan het versnellen, blijkt uit het rapport. En dat veroorzaakt zeespiegelstijging: als landijs smelt, stroomt extra water de zee in.

Maar ook de afsmelting van zee-ijs komt aan bod. Dat zee-ijs is een dunne, drijvende ijslaag op zeer koud oceaanwater. Rond Antarctica (de Zuidpool) bestaat seizoensijs: een laag zee-ijs die in de winter vormt. Daar is de drijvende ijslaag juist een tijdlang toegenomen, en pas recentelijk aan het afnemen, zo valt te lezen in het rapport.

Dit komt doordat rond de Zuidpool het effect van temperatuurstijging wordt gecompenseerd door veranderende windpatronen, die koude lucht vanaf de ijskap over de oceaan blazen. Rond de Noordpool is het een ander verhaal: daar neemt het zee-ijs al tientallen jaren af.

NASA brengt smeltproces van Noordpool sinds 1984 in kaart
49
NASA brengt smeltproces van Noordpool sinds 1984 in kaart

Volume snel minder, want zee-ijs wordt óók steeds dunner

Dat laat de recente video van NASA hierboven goed zien: het ijsoppervlak wordt door de tijd heen steeds kleiner. Elke tien jaar slinkt het met 13 procent. Tegelijk neemt ook de ijsdikte af, waardoor het totale ijsvolume nog sneller achteruitgaat dan het oppervlak.

Ten opzichte van het jaar 1979, toen satellietwaarnemingen van de ijslaag begonnen, is het ijsvolume aan het einde van de zomer circa 75 procent afgenomen. Het resterende ijs is vooral dun seizoensijs, dat in de winter vormt.

Dik, meerjarig ijs is rond de Noordpool zelfs vrijwel geheel verdwenen: een afname van 95 procent in dertig jaar tijd. De resterende ijslaag wordt daardoor ook steeds beweeglijker en gevoeliger voor verdere afsmelting.

Elke winter herstelt een deel van het ijs

In de zomermaanden smelt op de Noordpool veel ijs, en in de winter bevriest een groot deel van de Noordelijke IJszee weer. Er zijn daarom jaarlijks twee belangrijke momenten om de balans op het maken: het ijsminimum in september en de maximale ijsuitbreiding in de maand maart.

Daaruit blijkt dat het ijs in de eveneens zachtere poolwinters niet genoeg herstelt, om het snelle smelten in de zomer te compenseren. Het ijs op de Noordpool gaat dus structureel achteruit.

Het belangrijkste gevolg van dit ijsverlies is dat het de opwarming van het klimaat versterkt. Besneeuwd, wit zee-ijs reflecteert namelijk in de zomermaanden zonlicht terug naar de ruimte. Het donkere oceaanwater dat ervoor in de plaats komt, zet het zonlicht juist om in warmte. Daardoor gaat in het hele noordpoolgebied de temperatuurstijging ruim tweemaal zo snel als het wereldwijde gemiddelde.

Indirect veroorzaakt ijssmelt Noordpool wél zeespiegelstijging

Die snelle opwarming wordt ook rondom de Noordpool gevoeld, waarschuwt het nieuwe IPCC-rapport. Daar liggen twee voor het klimaat belangrijke gebieden: Groenland en de toendra.

De toendra is een uitgestrekt moerasgebied in het noorden van Siberië en Canada, met een ijslaag in de bodem. Onder dat ijs bevindt zich veel methaan, een krachtig broeikasgas. Bij het ontdooien van de bodem kan dit methaan in de atmosfeer komen en de opwarming verder versterken.

Ook de Groenlandse ijskap bevindt zich deels in het noordpoolgebied. Door de snelle opwarming produceert deze ijskap veel smeltwater, ongeveer tweemaal zoveel als de ijskap op Antarctica. En dát veroorzaakt wel zeespiegelstijging.

Tot slot verandert de snelle opwarming van het poolgebied windpatronen in de atmosfeer. Dat vergroot bij ons de kans op extreem weer: zomerse hittegolven en aanhoudende periodes van droogte en extreme neerslag, zo blijkt uit recent onderzoek.