Vanaf maandag krijgen alle scholen van Nederland een wagonlading coronazelftests binnen; voldoende voor alle leerlingen in groep zes, zeven en acht om twee weken lang, twee keer per week te testen. Hoe zorg je ervoor dat dat stokje goed de neus in komt? En is de test eigenlijk verplicht?

Leerlingen van groep zes, zeven en acht van de basisschool wordt gevraagd om vanaf 6 december twee keer per week een zelftest te doen. Datzelfde geldt ook voor alle leraren. Als de test positief is, gaan de leerling of leraar en de rest van het gezin in quarantaine en laten ze zich testen in de GGD-teststraat.

Scholen geven de zelftests met hun leerlingen mee naar huis en vragen leerlingen en hun ouders ze twee keer per week uit te voeren.

Zo'n teststokje diep in je neus, daar zitten niet alle kinderen op te wachten. Hester Rippen is directeur van Stichting Kind en Ziekenhuis, de patiëntenorganisatie voor kinderen in de zorg. Doe het rustig en met aandacht, zegt zij. "En let op je taalgebruik."

Mijn kind twee keer per week testen: moet dat echt?

  • Nee. Het moet niet, het is een advies. Het gebruik van een zelftest is altijd vrijwillig. Iedereen heeft het recht deelname te weigeren. Wanneer een leerling of medewerker besluit niet deel te nemen aan een zelftest, zal dit nooit leiden tot uitsluiting van onderwijs of werk. Het is ook niet de bedoeling dat de school vraagt naar de vaccinatiestatus van het kind of de ouders.

Geen dwang, niet duwen

Dwang is nooit een goed idee, zegt Rippen. "Dat leidt tot verzet en boosheid en kan traumatisch zijn voor een kind. Zorg voor een goede voorbereiding; niet snel even tussendoor dat staafje in die neus duwen als je kind er moeite mee heeft."

Het hoeft niet 's ochtends in de ochtendspits, maar kan ook 's avonds of als de kinderen net uit school komen, aldus Rippen. Neem er een kwartier tot een half uur de tijd voor.

Medisch handelen tegen iemands wil in: doe dat niet, zegt Rippen. "En dat hoeft ook niet. Testen kan altijd, maar neem er ruim de tijd voor."

Hoe je het dan wel aanpakt?

Begin met een goede voorbereiding.

  • Leg duidelijk uit wat er gaat gebeuren, spreek af of je samen gaat tellen of juist niet, en vertel hoelang het gaat duren.
  • Voorkom een negatieve lading. Misschien was die negativiteit er helemaal niet bij je kind, maar creëer je die zelf door te zeggen dat het niet leuk is, dat het een beetje pijn gaat doen of dat het zo weer voorbij is.
  • Spreek af wie het gaat doen: het kind zelf of liever papa of mama.
  • Leid je kind af door samen aan iets leuks te denken of door rustig samen in en uit te ademen. Je kunt ook samen naar een filmpje kijken op je telefoon of tablet. Hoe meer je kind is afgeleid, hoe minder het zal merken van het onderzoek.

Hoe praat je met je kind over de test?

Helpende taal is belangrijk, zegt Stichting Kind en Ziekenhuis.

  • Praat met een rustige en kalme stem.
  • Zeg niet "stel je niet aan" of "het valt wel mee".
  • Gebruik geen woorden met een negatieve lading of die een negatieve verwachting scheppen, zoals bang, naar, pijn of vervelend.
  • Is het gedaan? Sluit af met een compliment, zoals: "wat deed je het goed", "wat heb je goed stilgezeten" of "wat ben jij stoer!".

Hoe het ook alweer precies moest met die wattenstaafjes, de buishouders en vloeistoffen? Les op afstand, het kennisplatform van het ministerie van OCW, de PO-Raad, de VO-raad en SIVON, maakte een overzichtelijke infographic.