Wanneer moet dat speentje echt de prullenbak in? Hoe zorg ik voor babyvoeding zonder microplastics? En is het wel normaal dat mijn kleuter geen vriendjes heeft? Wekelijks legt NU.nl een opvoedvraag voor aan een expert of ervaringsdeskundige. Deze week is dat: 'De buurjongen heeft een zakmes en klimt in de hoogste bomen, maar mijn zoon mag dat niet. Zijn wij te beschermend?'

Binnen één generatie is er heel wat veranderd, constateert pedagoog Martin van Rooijen, die workshops geeft over risicovol spelen bij De Blauwe Ton.

"Wat voor ouders van nu in hun eigen kindertijd heel gewoon was, is tegenwoordig al snel bijzonder. Zonder toezicht twee straten verderop spelen bijvoorbeeld. Of een paar meter hoog in een boom klimmen. Dat vinden ouders nu vaak te spannend."

“Ouders die hun kind zelfstandig buiten laten spelen of naar school laten fietsen, kunnen daar op aangekeken worden door ouders die dat nog niet aandurven.”
Martin van Rooijen, pedagoog

Ouders overschatten de gevaren

"De speelomgeving voor kinderen is alleen maar veiliger geworden, maar toch denken ouders dat hun kind elk moment iets kan overkomen." De tijden zijn veranderd, aldus de pedagoog. "Als er tegenwoordig iets ernstigs gebeurt, dan wordt het breed uitgemeten op sociale media. Vervolgens wordt er massaal gezocht naar een schuldige. Wie is verantwoordelijk? En wie kunnen we aansprakelijk stellen? Ouders denken al snel: dat kan ook makkelijk met mijn kind gebeuren."

Ook 'het schoolpleineffect' speelt een rol. "Ouders die hun kind zelfstandig buiten laten spelen of naar school laten fietsen, kunnen daar op aangekeken worden door ouders die dat nog niet aandurven. Daardoor voelen zij zich ongemakkelijk op het schoolplein. Uit angst om als slechte ouders te worden gezien, kan de reactie ontstaan om hun kind de volgende keer toch maar weer met de auto naar school te brengen."

Maar juist dat beschermende gedrag is niet zonder gevaar. Van Rooijen waarschuwt voor de 'paradox van de overbescherming'. "Ouders denken het juiste te doen voor hun kinderen door ze overmatig te beschermen. Maar als je kinderen de kans ontneemt om zelfstandig te spelen, dan leren ze ook niet om te gaan met de risico's in hun spel, ervaringen die ze nodig hebben in hun verdere leven."

Racen met een rollator

Geef kinderen dus de ruimte om zelf te ontdekken hoe ze willen spelen, adviseert de pedagoog. Zelf haalde hij al eens oude bureaustoelen en rollators bij een kringloopwinkel. "Kinderen gingen daar wedstrijdjes mee doen, steeds weer op hun eigen manier en op hun eigen niveau. Leuk, maar ook spannend: net op het randje."

Een kind een zakmes geven of in bomen laten klimmen? Een goed idee, vindt Van Rooijen. "Wij zijn als volwassenen vaak bang dat het fout gaat, dat een kind zichzelf verwondt, maar die angst moeten we niet overbrengen aan onze kinderen." Geef een kind het vertrouwen dat het goedkomt. "Een kind zal zelf uitvogelen wat het met een zakmes kan doen. Een puntje aan een stok maken bijvoorbeeld."

“Op het moment dat je denkt: o jee, gaat dat wel goed?, grijp dan niet meteen in, maar tel tot dertig.”
Martin van Rooijen, pedagoog

'Leer je als ouder de dertigsecondenregel aan'

Laat kinderen dus wat meer los tijdens het spelen. Leer jezelf als ouder de dertigsecondenregel aan, tipt Van Rooijen. "Op het moment dat je denkt: o jee, gaat dat wel goed?, grijp dan niet meteen in, maar probeer jezelf in te houden en tel tot dertig. Blijf observeren en luisteren of je nodig bent, maar doe niets. In de meeste gevallen lost het kind het zelf op."

Bedenk ook dat je het spel niet hoeft af te kappen om een kind te ondersteunen. "Je kunt ook een tip geven om een kind op weg te helpen. Maar roep niet te vaak 'pas op', want dan gaat een kind overal gevaar in zien", stelt de pedagoog. "En zorg voor voldoende uitdaging. Bijvoorbeeld door boodschappenkratjes neer te leggen. Kinderen zullen de kratjes gaan stapelen, erop klauteren of er een hut van maken. Laat ze het zelf maar uitzoeken."

Het kán misgaan. Bijvoorbeeld als er een vinger bekneld raakt bij het uitklappen van een kratje. Maar eigenlijk moet dat af en toe juist gebeuren, stelt de pedagoog. "Een bult, een beetje bloed of een kneuzing hoort erbij. Door die ervaring denkt een kind: dat was niet zo handig, dat doe ik de volgende keer anders. Als je nooit valt en het gaat tóch een keertje mis, dan weet je ook niet hoe je weer opstaat."