Oude schaatsers wisten meer dan nu

Midden in de bloedhete juli van 2006 schreef marathonschaatser Jan Maarten Heideman een persbericht dat hij op de dunste schaatsijzers (of messen) ooit had gereden. Maar al in 1903 reden schaatsers op dunnere ijzers. Dat blijkt uit onderzoek voor het crossmediale project De Elfstedentocht Gaat Door! Op het EK van 1903 reed de Nederlandse schaatser Coen de Koning met messen van slechts een halve millimeter dik. Heideman rijdt met een dikte van 0.55 tot 0.75 mm.

In de schaatswereld wordt altijd gezocht naar beter materiaal. Jan Maarten Heideman werkt samen met schaatser en wetenschapper Marnix ten Kortenaar aan nieuwe technische verbeteringen. En met succes: in 2006 won Heideman een marathon met messen van 0.55 millimeter dik. De klassieke dikte varieert al vele decennia van 0.9 tot 1.1 mm.

Op hard ijs kunnen dunnere messen tot minder glijweerstand leiden, en dus tot snellere tijden. Onderzoek toont aan dat per 500 meter een halve seconde tijdwinst mogelijk is. De vraag is: waarom zijn schaatsers niet eerder op dit idee gekomen?

Terug naar 1903

De NPS en VPRO werken momenteel aan het crossmediale project De Elfstedentocht Gaat Door! Coen Rams stelde hiervoor een nog onbekende autobiografie van zijn grootvader Coen de Koning ter beschikking. De Koning was na Jaap Eden de tweede grote Nederlandse schaatser. Hij werd wereldkampioen in 1905, verbeterde in 1906 het Werelduurrecord (een record dat tot 1949 stand zou houden!), maar vergaarde in eigen land vooral eeuwige roem als winnaar van de Elfstedentochten van 1912 en 1917.

Bovendien stond Coen de Koning aan de basis van een schaatsdynastie. De huidige sprinter Jacques de Koning is een achterkleinzoon van de broer van Coen de Koning.  In zijn autobiografie schrijft Coen de Koning dat hij eind 1902 schaatsen kocht in Amsterdam: ‘Na een paar maal de schoenen gepast te hebben en te hebben gevraagd of dit nu wel de juiste schaatsen waren, werd dit bevestigd. Deze ijzers waren een halve millimeter dik en toen moest ik er nog een paar passen van één millimeter dik.’

Op 17 en 18 januari 1903 reed De Koning met messen van een halve millimeter dik bij tien graden vorst het Europese Kampioenschap in Davos. Als we Jan-Maarten Heideman dit verhaal vertellen, valt hij van zijn stoel van verbazing: “Dus De Koning had toen nog dunnere ijzers dan ik? En waarom is iedereen dat vergeten? Al veertig jaar rijdt iedereen op ijzers van 0.9 tot 1.1 mm. En dan blijkt dat al lang bekend was dat je op dunnere messen harder kunt rijden! Ongelooflijk dat deze kennis ooit blijkbaar vergeten is.”

Maar is de kennis over het gebruik van dunnere schaatsijzers wel echt vergeten? Gauke Bootsma, directeur/conservator van het Eerste Friese Schaatsmuseum in Hindeloopen meent dat er niets nieuw onder de winterzon is: “Bij het kortebaanschaatsen gebeurt dit al heel lang: messen van zo’n halve millimeter dik. Ik heb ze hier in de vitrines staan.  Blijkbaar is die kennis alleen in Friesland, waar de kortebaan het langst populair is gebleven, verder ontwikkeld. En vervolgens bij de ondergang van de traditionele Friese schaatsenmakers verloren gegaan.”

Verder onderzoek

Jan-Maarten Heideman vindt het wel grappig dat hij blijkbaar vergeten kennis opnieuw ‘uitvindt’. “Ze noemen me wel de Willie Wortel  van de schaatssport, maar dat is dus geheel ten onrechte. Ik vind het prachtig om te horen dat er al in 1903 mee geëxperimenteerd werd.”

De memoires van Coen de Koning versterken bij Heideman de overtuiging dat de kennis over de schaatssport uit heden en verleden nodig in kaart gebracht moet worden. “Specialisten moeten samenwerken. De schaatsers, de wetenschappers, en dus ook de kenners van de schaatsgeschiedenis. Want het is toch te gek dat wij nu iets moeten aantonen wat iedereen blijkbaar al meer dan honderd jaar geleden wist?”

Met dank aan Marnix Koolhaas

Tip de redactie