De Vierdaagse van Nijmegen is ook al de schuld van sportpionier Pim Mulier. Bij elkaar opgeteld is het aantal kilometers misschien minder dan bijvoorbeeld de Spartathlon (246 kilometer rennen!), maar met deze hitte is het een ontzettende opgave. En dat niet eens voor een prijs voor de snelste, maar heel Nederlands om alleen de prestatie. Al een halve eeuw geleden waren er sportjournalisten, die dit fenomeen probeerden te begrijpen. “Het pleit voor de sportzin van het Nederlandse volk dat er zo’n grote animo voor bestaat.”

Mulier was in de periode van 1870 tot ongeveer 1950 altijd te vinden in de buurt van sport. Oprichter van de eerste voetbalclub in het land, van de voetbalbond, initiatiefnemer van de Elfstedentocht en nog veel en veel meer.

Hij had in 1908 ook de stoot gegeven tot de oprichting van de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding, die in 1909 de eerste Vierdaagse organiseerde. Alleen was in die tijd behalve Nijmegen ook Utrecht de plaats van handeling.

Zo’n twintig à dertig mensen liepen mee, wat pas na 1928 - toen in Nederland de Olympische Spelen werden gehouden- explosief zou gaan stijgen. En die eerste lopers waren eigenlijk allemaal soldaten, die gedurende de hele geschiedenis van dit evenement hier een stempel op zouden drukken.

Net als de tegenstanders van het militarisme, die zich steeds vaker met spandoeken tegen het leger opstelden langs de route. Maar in feite is dat vanuit historisch oogpunt hetzelfde als een demonstratie bij de Elfstedentocht, waarbij de deelnemers zich niet keren tegen het fenomeen op zich, maar wel de balen hebben van al dat ijs en die schaatsen. Zo is het ook bij de Vierdaagse: die soldaten lopen nu eenmaal mee, omdat dat hoort. Een troost voor de tegenstanders kan dan wellicht zijn dat wandelende militairen geen oorlog voeren, maar hoogstens de eendjes in het water langs de route.

Wat de tegenstanders nog wel zouden kunnen aankaarten, is dat het voor de huidige militairen makkelijker is geworden om uiteindelijk hun prijs in ontvangst te nemen. In de beginjaren waren alle militaire deelnemers namelijk verplicht om iedere dag na afloop nog een kilometer te rennen. Als iemand daar niet in slaagde, had die pech: diegene kreeg geen bronzen medaille.

Vreemde vertoning

Eigenlijk is het wel wat vreemd, die Vierdaagse. Dat vond sportjournalist M.J. Adriani Engels ook en boog zich hier ruim veertig jaar geleden eens over, waarbij hij zich vooral bezighield met het verschil met bijvoorbeeld de Tour de France. Die bronzen medaille bijvoorbeeld die eerdergenoemde soldaten pas na een extra sprint konden bemachtigen. Waarom haalt iemand het in zijn hoofd om zichzelf af te beulen voor een aandenken dat op de rommelmarkt in kilo’s wordt verkocht?

‘Er is één enorm verschil,’ stelt Adriani Engels, ‘Terwijl de Ronde van Frankrijk bestemd is voor beroepsrenners, die er hoge bedragen aan kunnen verdienen, zijn ”onze” Tours de France te voet en op de schaats rigoureus amateuristisch. Niemand krijgt zelfs maar een cent vergoeding voor de reis- en verblijfskosten, die hij geheel zelf moet betalen, en er valt niets meer aan te verdienen dan een simpel kruisje. In deze tijd van verwaterd amateurisme is zoiets eigenlijk ouderwets-degelijk, het pleit voor de sportzin van het Nederlandse volk dat er zo’n grote animo voor bestaat.’

Prachtig, de Vierdaagse als de perfecte spiegel van ‘s lands deugdzaamheid en noeste waarden. Wat dat betreft precies hetzelfde als het dammen, dat volgens tijdschrift de Revue der Sporten in 1907 ook zo’n typisch Nederlandse bezigheid is: ‘Een spel, waarbij het denken het doen voorafgaat. Een spel, dat de gunst van een Fortuna verfoeit, doch de ingevingen van een Minerva tot richtsnoer kiest; een spel, dat de eer stelt boven het geluk. Een spel, dat vriendschap kweekt, de geest verkwikt, verrijkt en het verstand verscherpt.’

We zouden de hitte nu bijna vergeten.