Justitie in Mexico zoekt definitief geen verantwoordelijke voor het grootste bloedbad uit de olympische geschiedenis. In 1968 werd vlak voor aanvang van de Olympische Spelen in Mexico een studentendemonstratie gewelddadig neergeslagen, waarbij ruim 350 mensen werden gedood. Er lijkt nu een einde te komen aan een jarenlang onderzoek naar de hoofdverdachte van de slachting.

De tragedie is de geschiedenis ingegaan als het Bloedbad van Tlatelolco en is een zwarte bladzijde uit de Mexicaanse én olympische geschiedenis. Studenten vroegen aandacht voor de dictatoriale omstandigheden waarin zij leefden en voor de enorme kosten van de organisatie van de Olympische Spelen in hun land. Twee jaar later werd ook nog het WK Voetbal georganiseerd in het land, waarin toen veel armoede heerste.

Op 2 oktober 1968, exact tien dagen voor de openingsceremonie, omsingelden ordetroepen het plein Tlatelolco en openden het vuur. Net als met het neerslaan van het Chinese studentenprotest in 1989 is nooit duidelijk geworden hoeveel mensen hierbij worden gedood. Het minimumaantal is dertig, maar aannemelijker is dat er meer dan 350 mensen werden vermoord die dag.

Daarna sprak toenmalig IOC-voorzitter Avery Brundage de volgende woorden: “Als gasten van Mexico hebben wij het volste vertrouwen dat de Mexicaanse bevolking samen met de deelnemers en toeschouwers de Spelen zal meevieren. Deze zijn een ware oase in een wereld vol moeilijkheden.” Een nationale en olympische geschiedenis werd hiermee op een treurige manier één.

Een Mexicaanse jury heeft nu definitief besloten om hoofdverdachte Luis Echeverría niet te vervolgen voor genocide. In 1968 was deze man minister van Binnenlandse Zaken en daarmee verantwoordelijk voor het bloedbad. In de jaren daarna was hij premier van Mexico.

Daarmee is een einde gekomen aan een periode van ruim een jaar, waarin bijzonder aanklager Ignacio Carrillo hoopte  het onderzoek te heropenen. Het huisarrest van Echeverría is opgeheven.