Het parkeerbord is uitgevonden in Amsterdam, speciaal voor de Olympische Spelen van 1928. De beeldtaal van een blauw bord met daarop in het wit de letter P werd bedacht om de verwachte verkeersstroom in banen te kunnen leiden. Vanaf dat moment is dit bord de internationale aanduiding geworden voor een parkeerplaats. Sporthistoricus Ton Bijkerk zei dit tijdens een lezing over de Spelen van 1928, waarbij hij zich baseert op het boek Amsterdam 1928 van Paul Arnoldussen.

Het wereldbeeld van het Nederland van 1928 werd in één klap gigantisch uitgebreid met de komst van de Olympische Spelen naar Amsterdam. Vanuit de hele wereld streken sporters en supporters neer, die we in dit land alleen maar kenden uit verhalen. Japanners, Argentijnen, Finnen, Portugezen – overal kwamen nationaliteiten en culturen vandaan en deden hier hun ding. Met zoveel verschillende talen was het absoluut nodig om op simpele manier te vertellen waar de bezoekers heen moesten en waar ze hun auto kwijt konden. Als alles in het Nederlands zou worden aangegeven, zouden de meeste bezoekers er niets van snappen.

Met terugwerkende kracht mogen we zeggen dat de vondst om met alleen een letter een bord te maken, dat iedereen begrijpt, neigt naar genialiteit. Al helemaal omdat bijna tachtig jaar later dit bord nog steeds een wereldwijd bekend fenomeen is.

Arnoldussen schrijft hierover: ‘Behalve de grote parkeerplaats bij het stadion verschenen er nog een aantal kleinere in de stad, onder meer op het Leidseplein, het Beursplein, en de Westermarkt. Ze werden voorzien van een blauw bord met een witte P erop, een nieuwe internationale aanduiding die hiermee in Amsterdam werd geïntroduceerd.’

Grappig is dat de organisatie veel meer auto’s had verwacht dan er uiteindelijk kwamen. Arnoldussen: ‘Behalve het kleine parkeerterrein voor het stadion werd ook nog een stuk land ten zuiden van het oude stadion [tegenover het Olympische Stadion, in 1929 afgebroken. jRRT] in orde gemaakt, waarop de Koninklijke Olie – de gelegenheidsexploitant – 3500 auto’s en tweeduizend fietsen kon herbergen. Gemiddeld stonden er dagelijks zevenhonderd auto’s en 360 fietsen. Na de spelen werd bekend dat er 450 buitenlandse auto’s in Amsterdam waren geweest.’

Extra geniaal: ontwerpers maken een wereldberoemd verkeersbord voor nog geen 500 wagens! Want voor de Nederlanders was er geen nieuw symbool nodig, omdat die toch al wisten waar ze hun auto kwijt konden. Trouwens: in 1924, dus vier jaar voor de Spelen, waren er maar 31.000 auto’s in Nederland, dus niet echt veel.

Het enige wat ik niet weet – en dat ergert me natuurlijk – is wie dat bord heeft ontworpen en wanneer dat voor de eerste keer in gebruik is genomen. Iemand die dat misschien weet of hoe ik hier verder kan komen?

Naar het boek van Arnoldussen kun je ook luisteren, waarbij de auteur zelf je het allemaal vertelt.