De volgende Elfstedentocht start op het ijs om ongelukken te voorkomen tijdens het rennen. In 1933 zorgde starten op het ijs juist voor ellende, maar goed. Er zijn inderdaad veel incidenten geweest met bloed en gebroken ledematen. Zoals Henk Gemser zag tijdens de legendarische tocht van 1963: “Afgrijselijke valpartijen. Gebroken armen, benen, bekkens. Al direct, vanaf de eerste minuut.” Tijd voor een overzicht, indien gewenst met foto’s vanaf 1940.

In 1909 werd de eerste Tocht gereden, die werd gewonnen door Minne Hoekstra. Hij schreef over de start: ‘Egyptische duisternis alom; op goed geluk gaat ’t nu maar recht vooruit; geen oever is meer te zien, alles is grijs, donker grijs. Wat voor lichtjes zijn dat toch, van aan de wal liggende schepen, van huizen op den oever, zoo ja, op welken oever? O, goeie menschen, wat hebben jullie ons ’n last bezorgd met al die brandende lampjes.’

In 1933 besloot het bestuur van de Elfstedenvereniging om op het ijs te starten, zoals nu dus ook is bedacht. Het gevolg was dat alle wachtenden en belangstellenden bij elkaar krioelden achter het touw, waardoor het ijs gevaarlijk begon te kraken. “Schiet ze maar weg”, riep een bestuurder half in paniek, waarna de meute zich in volle chaos in beweging zette. Zou dat nu opnieuw kunnen gebeuren? Waarschijnlijk niet, want voor de komende Tocht vertrekken alleen de wedstrijdrijders vanaf het ijs en niet de tourrijders. Gelukkig maar…

In 1954 waren er veel valpartijen in het begin, net als in 1963. Wat in dat jaar gebeurde – het Jaar van Reinier Paping, dus – tart alle voorstellingsvermogen.

Kees Bovée zei hierover tegen mijn collega Marnix Koolhaas en mij voor het boek De Mannen van ‘63: “In totaal zouden er met mij nog 10.095 andere tochtrijders weggaan voor de tocht over 200 km. Het vroor bij de start in Leeuwarden achttien graden. Precies op tijd gingen de deuren open en wij holden als eerste tochtrijders tussen de met strobalen gebarricadeerde uitgangen door naar buiten. In een looppasje ging het nu naar het ijs. Het ijs was eigenlijk niet te berijden. De eerste slachtoffers lieten zich al gauw zien. Gebroken schaatsen en bebloede koppen. Tractoren lieten in het ochtendduister hun licht over het ijs schijnen om hele slechte stukken ijs te laten zien. In de koude mistvlagen zag ik de baan steeds smaller en smaller worden.

“Je probeerde na een val zo snel mogelijk buiten de baan te rollen. Het was nog steeds donker. Viel een ander vóór mij en zag je geen kans om hem links of rechts te passeren dan probeerde je er maar wijdbeens over heen te gaan. Maar meestal viel ik er dan ook weer over of kwakte ik op de hard bevroren sneeuwrand. Er werd heel wat afgevloekt. Heel veel valpartijen waren er dan ook op dit verschrikkelijk slecht ijs. Ik mocht blij zijn als niemand mij dan raakte, want schaatsijzers waren toen ook al vlijmscherp.

“Het was één grote struikelpartij. Uitvallers waren er al genoeg met bloed aan handen en gezicht. Mijn verstand zette ik eigenlijk veel te vroeg op nul. Tot mijn verbazing bleef mijn fysiek zonder haperen functioneren.”

Bovée zou als enige Brabander de finish halen die dag. Hij kon daarna een jaar niet knielen in de kerk door al het lichamelijke ongemak, waarmee hij die verschrikkelijke dag te maken had gekregen. Dus ook na de start moeten de rijders razend goed uitkijken.