In een Griekse cel

Vlak voordat in 2004 de Olympische Spelen begonnen, had ik de eer in een Griekse cel te belanden. In de ruimte naast mij zaten zo’n vijftien illegale vreemdelingen opgepropt zonder te weten hoe lang ze moesten blijven. Het was er bloedheet en de waterkraan en het smerige toilet zaten aan de andere kant van de gesloten deur. Daarom begrijp ik wel waarom Amnesty International zo boos is over de positie van vluchtelingen in Griekenland. Of ik wilde of niet: ik heb het met eigen ogen gezien.

Woensdagavond 11 augustus 2004, twee dagen voor de openingsceremonie in Athene, heb ik door mijn eigen schuld drie uur vastgezeten in een politiecel in het centrum van de stad, nabij de wijk Plaka. Ik kreeg een cel op de eerste verdieping, en mocht alles meenemen. Zelfs mijn mobiele telefoon had ik bij me, die net afging toen de bewaker mijn cel sloot. Het waren mijn ouders, die iets aan mijn zus wilden vragen. “Oh, dat komt goed uit, ze staat net aan de andere kant van de tralies. Hier is ze.”

In de cel naast mij, twee tralies verderop, zaten zo’n vijftien mensen, die allemaal uit Azië, Afrika en het Midden-Oosten kwamen. We maakten een praatje in een mengelmoes van Grieks, Duits en Engels. Sommigen vertelden me dat ze illegaal in Griekenland verbleven, waren opgepakt en nu al maanden vastzaten met tien tot vijftien andere gevangenen. Hoe lang ze moesten blijven, wisten ze niet. “Misschien nog wel twee maanden”, haalde een Irakees zijn schouders op en keek in het niets. Hij slenterde naar een groep gevangenen, die zaten te kaarten. Ze kwamen nooit buiten en dan is elke afleiding welkom.

Om naar het toilet te gaan, moest eerst toestemming worden gevraagd aan een bewaker, die er niet altijd was. De wc was onbeschrijfelijk smerig en was waarschijnlijk voor het laatst schoongemaakt bij de vorige Olympische Spelen van 1896. Daar deden die mensen dus al maanden hun behoefte.

Ook het krijgen van water in de bloedhete cel – het was er minstens dertig graden en extreem vochtig door de zweetdampen – was lastig: aan de andere kant van een gat in de tralies stond een fonteintje. Een dorstige stak een kleine waterfles door het gat – een grote paste niet - en hield die onder de kraan. Als de fles op de grond viel, wat regelmatig gebeurde, was diegene afhankelijk van de bewaker.

Samengevat: op een doodgewone woensdagavond in Athene zaten zo’n vijftien vluchtelingen in een kleine ruimte zonder directe toegang tot een toilet en een kraan. U snapt waarschijnlijk wel hoe ze keken toen mijn zus en een vriendin bij me langskwamen. Zoveel vrouwen hadden ze in maanden niet gezien.

Na drie uur was ik vrij, zoals de andere gevangenen al hadden voorspeld. “Jij bent blank, komt uit Europa en dus ben je vanavond buiten. Wij niet, duurt misschien nog maanden.”

Daarom begrijp ik wel waarom Amnesty International zo boos is over de positie voor vluchtelingen in dat land. Of ik wilde of niet: ik heb het met eigen ogen gezien.

Tip de redactie