De dag voor de 25e editie van de Marathon van Rotterdam zat ik in de trein met Adri Moons. In 1950 was hij Nederlands kampioen marathon. “Ik had een andere sport moeten kiezen.”

Het was van Hilversum naar Utrecht Centraal. We spraken over de marathon in zijn tijd. Tegenwoordig is dit een massaal gebeuren. Maar toen Moons kampioen werd, deden er slechts veertig tot vijftig mensen mee. “De lange afstand leerde ik tijdens de oorlog kennen, toen ik in Duitsland zat. Met een anti-nazi (!) liep ik de 25 kilometer. Daarna was ik wel heel erg stijf. ’s Avonds had ik een afspraakje met een meisje, waarna ik de laatste tram miste. Moest ik met mijn stijve spieren nog naar huis lopen ook.”

In 1950 won hij dus de nationale titel marathon en dan zou je denken dat je een goede sport hebt uitgekozen. Maar Moons niet: “Een jaar of wat later ben ik gaan schaatsen en wielrennen. Dat had ik veel eerder moeten doen.” En nog steeds hebben die twee sporten een grotere invloed op hem dan de marathon.

“Gaat u zondag naar de marathon kijken?”

“Nee, want dan is Parijs-Roubaix.”

“Maar die uitzending is pas na de finish van Rotterdam.”

“Misschien dan. Maar als het mooi weer is, ga ik eerst fietsen of wandelen. Alleen als het slecht weer is, blijf ik misschien thuis.”

Utrecht Centraal. De kampioen ging naar huis, naar Eindhoven. Denkend over de sport, waar hij kampioen in had kunnen zijn als hij dat al niet ergens anders was geworden.