Het Nederlandse hockey staat al decennia internationaal aan de top, blijkt wederom. Vroeger niet, en dat was omdat we hier onze eigen spelregels hadden. Want die harde hockeybal was wel een beetje eng.

Tot 1926 speelden de Nederlandse hockeyers met spelregels, die anders waren dan in de rest van de wereld. Zodoende speelde Nederland nooit internationaal, omdat wij onze regels niet wilden veranderen en het buitenland ook niet.

Wat waren de problemen? Het belangrijkste was de bal die werd gebruikt, die in Nederland minder hard was dan elders. Verder waren de velden hier minder goed dan bijvoorbeeld in Engeland. De laatste merkwaardigheden waren de afwezigheid van een slagcirkel en twee platte kanten om mee te slaan.

Het grootste probleem was de bal. In Nederland was die oranje en zacht, zodat het niet zoveel pijn deed als die een sporter op het lichaam trof. Trainer Gerard Scheurleer had die zelf ontworpen. In 1909 legde hij uit in een sporttijdschrift waarom.

‘Toen het hockeyspel voor het eerst hier gespeeld werd, begonnen wij met een cricketbal, en dien te gevaarlijk vindend, zijn wij tot den tegenwoordigen bal overgegaan.’ Die oranje bal heet daarom in jargon de Scheurleer-bal.

Door die eigen spelregels raakte Nederland internationaal geïsoleerd. Vooral een speler van Hilversum, H. van Booven, vond dat verschrikkelijk. “Van een eventueel Europeesch Hockey-Verbond, van Internationale hockey-wedstrijden sluiten wij onszelf uit, op de Olympische Spelen schitterden we door afwezigheid.”

Dat klopte, tot in 1928 de Olympische Spelen in Amsterdam waren. Als het Nederlandse hockey zou blijven luisteren naar Scheurleer mocht het niet meedoen aan dit evenement – nota bene in eigen land. Nederland accepteerde daarom de internationale regels en won zilver op die Spelen. De eerste officiële interland was op 23 januari 1926 tegen België. Nederland won toen met 2-1.