Dit weekend is in Amsterdam de marathon. Op 5 augustus 1928 werd die daar ook gelopen. Niet iedereen vond dat leuk, maar het publiek wel. De mensen wilden Japanners zien.

In 1928 waren in Amsterdam de Olympische Spelen met ook de marathon op het programma. Een anonieme columnist vond die race helemaal niets. Die herinnerde volgens hem aan ‘een stomme Griek’, die na een lange loop de overwinning van zijn troepen meldde in Athene. ‘Dat was een lamme affaire,’ vond de schrijver, ‘en als ze voor die Griek een standbeeld hadden opgericht, desnoods om er spijkers in te slaan, dan hadden wij ons daarmee kunnen verzoenen. Maar nu krijgen we dit gerecht op elke Olympische tafel.’

De Telegraaf had er wél zin in, maar waarschuwde voor de slechte staat van de route. ‘De weg is heel stoffig, wat wel het uiterlijk van ons en onze fotograaf bewees, toen wij na gedaan werk elkander aankeken. Twee rasechte kolenwerkers keken elkander in het gelaat en onze kleren zaten onder een dikke laag stof.’

Het was ‘boos weer’ bij de start. ‘Daar gaan ze af,’ schreef het Algemeen Handelsblad, ‘precies op het startschot, een levendig gewriemel van zich rap reppende benen en schuddende armen.’ Na een rondje over de sintelbaan verlieten ze via de marathonpoort het stadion, die meteen daarna werd gesloten. De toeschouwers waren daarover erg verbaasd: “Zouden ze allemaal voor de poort staan wachten tot ze weer naar binnen mogen?”

Langs de route stonden inmiddels al honderden mensen te wachten. In die tijd zag je nu eenmaal niet elke dag een buitenlander op straat en al helemaal niet uit Japan. Bij Ouderkerk hadden de wachtenden geluk: een Japanner op kop! Wie het precies was, ontging de aanwezige verslaggever, al droegen de renners rugnummers. Ook de volgende lopers konden door hem alleen maar worden geïdentificeerd als ‘een Amerikaan, een Deen en daarna wat Nederlanders.’ De stoet rende voorbij, en voor deze toeschouwers was het voorbij.

Aan het eind van de ruim veertig kilometer speelden zich dramatische taferelen af. Een Zweed, die stopte bij de eettafel, zorgde voor veel hilariteit. Het Handelsblad: ‘Hij ziet koppen thee en koffie, kwast, een schaal met halve reeds van de schil ontdane bananen, een schaal met in vieren gesneden sinaasappelen en citroenen en nog heel wat meer. Er staat ook een volle schaal met gepelde, hard gekookte eieren. De Zweed loopt van het begin naar het einde van de tafel en weer terug. Hij weifelt, wat hij nemen zal en volgens de voorschriften mag geen der deelnemers geholpen worden. Onder daverend gelach pakt de Zweed ten slotte...een glas water, neemt een teug en begint weer te lopen om vijftig meter verder uitgeput neer te vallen. De Geneeskundigedienst ontfermde zich over de stakkerd.’

Het was geen Japanner die als eerste terugkeerde in het Stadion. Dadelkwekerszoon Boughèra El Quafi passeerde in de laatste kilometers de Japanse koploper Yamada en liet de Chileen Plaza Reyes ook achter zich. De journalisten vonden die Arabische naam behoorlijk lastig. In één artikel kreeg hij maar liefst drie namen: El Ouafi, El Quati en El Quafi. ‘De zaak kwam echter hierop neer dat de uitspraak Waffie was.’

Ruim drie kwartier na de binnenkomst van Waffie strompelde de laatste renner binnen. “Daar komt er nog één,” merkte iemand op. Het was de Deen Madsen, die als 58e de finish passeerde. Iedereen keek naar de motorist van de verkeersbrigade, die de stoet begeleidde. “Het is uit,” zei hij. De deur van het Olympisch Stadion kon weer op slot.