Direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog groeide op de Nederlandse voetbalvelden de haat tegen joden. In 1947 organiseerde de KNVB daarom een speciale cursus voor scheidsrechters om antisemitisme tegen te gaan.

Evert de Vos schreef enkele jaren geleden zijn afstudeerscriptie ‘Verliest den moed toch niet. Joodse voetbalclubs in Amsterdam 1908-1945’. Daarin schrijft hij onder meer: ‘Vaak wordt aangenomen dat in de winter van 1945-1946 een rem ontstond op de uitingen van antisemitisme. Hiervan is op de voetbalvelden weinig te merken.’

Een groot deel van de Nederlandse sportwereld was ronduit vijandig tegen joden, die terugkeerden uit de concentratiekampen. Terugkeer naar het oude terrein bijvoorbeeld was al geen vanzelfsprekendheid. De Amsterdamse joodse voetbalclub Wilhelmina Vooruit (WV) verliet in 1941 gedwongen zijn terrein Sportclub Voorland, toen het joodse sportleven door de Duitsers werd verboden. Na het gedwongen vertrek stelde WV een overeenkomst op met gymnastiekvereniging Zeeburg. De gymnasten zouden het sportterrein beheren tot de oorlog was afgelopen. Maar eind 1945 ontkenden ze deze afspraak en vroegen zich zelfs af of WV eigenlijk wel een joodse vereniging was. Als antwoord berichtte WV dat van de 73 leden in 1941 er 49 in een kamp waren omgekomen. Er volgde een zaak bij de zogenaamde Raad voor het Rechtsherstel, die pas eind 1946 door de voetballers werd gewonnen.

Dit was geen incident, schrijft De Vos: ‘Zowel tijdgenoten als historici signaleerden in de zomer van 1945 een opleving van antisemitisme in Nederland. Het is de vraag in hoeverre de voetballers dit als opleving ervoeren. Vervelende incidenten vonden op de voetbalvelden plaats voor en na de oorlog, voor hen was het in feite een continu gegeven.’ Maar het werd wel steeds erger in de daaropvolgende jaren: ‘Het kwam zo regelmatig voor, dat in oktober 1947 wordt gesproken van een groeiend antisemitisme in de (voetbal-)wereld.’

Het aantal incidenten groeide toen zo snel dat de KNVB dat jaar een speciale cursus organiseerde. Hier werd scheidsrechters geleerd hoe ze moesten reageren op deze spelverruwing.

Er was wel steun voor de joodse sporters, maar slechts incidenteel. De joodse oud-voetballer Maupie Waterman zei hierover: “De christenmensen in mijn team waren zo! Het gebeurde weleens dat een tegenstander me uitschold, vlak na de oorlog ook nog. Zo’n christenjongen schopte binnen twee minuten zo’n speler eruit. Zo waren ze wel.” Er zouden in die tijd zelfs dodelijke incidenten zijn geweest. Een antisemitische speler die een joodse tegenstander belaagde, werd hierna dodelijk gewond. De verantwoordelijkheid hiervoor droeg een medespeler van de joodse voetballer, die tijdens een vrije trap bewust op het hoofd mikte van die tegenstander. “Laat mij die vrije trap maar nemen”, had hij tegen zijn joodse vriend gezegd.

Het naoorlogse antisemitisme was geen nieuw verschijnsel op de Nederlandse sportvelden. Al in de jaren dertig werd hiervan melding gemaakt. De joodse voetbalclubs in Amsterdam werden vooral op het platteland lastig gevallen bij zogenaamde NSB-clubs, soms met steun van een toekijkende agent. Bij de thuiswedstrijden in Amsterdam werd dan wraak genomen. Aan het begin van de oorlog speelde een joodse club thuis tegen zo’n vereniging, vertelde een ooggetuige aan De Vos: “Toen ze bij ons zouden spelen, was er een joodse scheidsrechter, Koopman. Wij kregen de vrijheid om te doen wat we wilden. Allemaal jongens die niet bang waren, zoals ik, en die meer schopten dan voetbalden, werden opgesteld. Drie maal moest de GGD komen om iemand op te halen die beschadigd was.”

Dit soort incidenten tegen joodse voetballers beperkten zich niet tot de sport, alhoewel ze tijdens een wedstrijd heftiger waren dan erbuiten. De Vos: ‘Op straat en op het voetbalveld werden joodse jongens in ieder geval met enige regelmaat geconfronteerd met scheld- en vechtpartijen, die veel betrokkenen opvatten als uitingen van antisemitisme. Als het Nederlandse antisemitisme al als ‘mild’ omschreven mag worden, dan geldt dat zeker niet voor de variant waarmee joodse jongens in de grote stad geconfronteerd werden als ze zich op één of andere manier als joodse groep manifesteerden.’

WV bestaat nog steeds, maar dan als onderdeel van de fusieclub WV/HEDW. Ook HEDW (Hortus Eendracht Doet Winnen) was een joodse verenging. Van de WV-leden keerden iets meer dan dertig procent terug in 1945, van HEDW ongeveer twintig procent.