Daverend debuut Amsterdamse sporters

De eerste keer dat er Nederlanders meededen aan de Olympische Spelen was in 1900, toen de Spelen in Parijs waren. Om precies te zijn waren het er 36. Opvallend is het daverende debuut van de Amsterdammers: van de zes die in actie kwamen in Parijs eindigden liefst vier bij de eerste drie. Het is dat ze toen nog geen medailles hadden als nu, want anders zouden er meteen vier olympische plakken naar Amsterdam zijn gekomen.

Ik kwam hierachter toen ik op verzoek van het ‘Topsport Amsterdam Magazine’ uitzocht welke Amsterdammers als eerste aan Olympische Spelen deelnamen. Dat ik daarachter kan komen, is te danken aan het onwaarschijnlijk doortastende speurwerk van Ton Bijkerk, prominent lid van de ‘International Society of Olympic Historians’. Als Bijkerk met hetzelfde enthousiasme besluit in Egypte op zoek te gaan naar oudheden, is er volgend jaar geen woestijn meer. Slechts een woud aan ontdekte en opgegraven piramides blijft over, waarvan de farao’s zelf niet eens meer wisten dat ze die hadden laten bouwen. Bijkerk komt namelijk overal achter, niets Olympisch blijft geheim met hem in de buurt.

Maar goed, die Amsterdammers. Het ging om de volgende mensen. De oudste was Anthony Sweijs, die meedeed met zijn revolverteam. Hij was toen al 48 jaar oud. De andere vijf waren zwemmer Johannes Dirk Bloemen, de roeiers Herman Brockmann en Johannes van Dijk, zwemmer en waterpoloër Eduard Meijer en schutter Henrik Sillem.

De beroemdste Amsterdammer uit de Olympische geschiedenis blijft natuurlijk Fanny Blankers-Koen. Maar zoals we nu zien, stapte ze in een heel succesvolle traditie van Amsterdamse Olympiërs.

Tip de redactie