Op 11 maart 1928 deed Han Hollander voor de AVRO-radio verslag van Nederland – België. Dat fragment is kwijt, maar we hebben nog wel zijn herinneringen uit 1928 en zijn stem uit 1935 - hier.

Over de wedstrijd zelf gaan we het niet meer hebben: na negentig tamme minuten eindigde de jaarlijkse Derby der Lage Landen in 1-1. De interland was niet in het Olympisch Stadion, maar in het zogenaamde Oude Stadion aan de Amstelveenseweg in Amsterdam.

Behalve een slechte wedstrijd was het ook nog eens koud en winderig met vooral veel sneeuw. Het radiohokje stond op het dak van het stadion en was alleen te bereiken via het huis van opzichter Van Veen. Tot frustratie van mevrouw van Veen was het daarom een bende op haar traploper, omdat er de hele dag vreemd volk met modderpoten door haar huis banjerde.

In dat hokje zat dus Han Hollander, waarbij hij werd geassisteerd door AVRO-directeur Willem Vogt. Mevrouw Hollander verklaarde in 1938 waarom juist haar echtgenoot deze eer had gekregen: “Hij schreef veel over sport, verslagen voor dagbladen en sportperiodieken. Eens op een middag werd hem onverwacht de vraag gesteld of hij er iets voor voelde om voor de A.V.R.O. bij wijze van proef eens een voetbalwedstrijd te verslaan. Mijn man zei: ja, dat wil ik wel eens proberen, maar toen bleek, dat men het ook al aan anderen had gevraagd. Maar toen het op klappen kwam, bedanken die anderen voor de eer en toen deed mijn man het.”

Voor de lieve vrede had ze hierbij niet verteld dat manlief in de aanloop naar die wedstrijd niet was te genieten. Hollander zei zelf hierover in een radiotoespraak: “Ik zal het nooit vergeten, die maanden die aan de eerste uitzending vooraf gingen. Die hebben behoord tot de ellendigste van m’n leven, en in die tijd heb ik zo menigmaal mezelf wel een klap in het gezicht kunnen geven vanwege het feit dat ik op de vraag of ik dat ik me daarmee wilde belasten JA heb gezegd. De grootste moeilijkheden heb ik toen gehad, ik was geen mens meer voor m’n gezin. Ik grauwde en ik snauwde maar en ik sprong door alles uit mijn vel. Het is de ellendigste tijd van m’n leven geweest.”

Gelukkig was eindelijk de dag van de wedstrijd. Er werden wat beginnersfoutjes gemaakt. Dagblad Het Vaderland schreef bijvoorbeeld op 12 maart 1928: ‘Jammer, dat de programma’s een onjuist aanvangsuur hadden genoemd voor de uitzending, waardoor menigeen instelde, toen de uitzending al aan de gang was.’ Verder was Hollander zo zenuwachtig dat hij zijn verslag begon met: “Goedenavond, dames en heren.” Het was toen een uur of twee in de middag.

Maar vanaf dat moment liep alles gesmeerd. Vogt zei hierover: “Hollander hield de sfeer erin. In saaie ogenblikken vertelde hij over de spelers en hun spelkarakteristiek; en als ’t ging spannen, stal hij het hart van onsportieve douairières [een weduwe van adellijke komaf, redactie] met zijn eerlijke geestdrift.”

En ook Het Vaderland was tevreden: ‘We betrapten er ons zelf op, dat ons hart nu en dan sneller kloppen ging bij een worsteling voor een der doelen, een bewijs, dat de sportjournalist het spel goed volgde. Voor deze eerste poging verdienen de beide omroepers stellig een woord van hulde.’

Ondanks het grote succes betekende deze uitzending nog niet de definitieve doorbraak van sport op de radio. Sportbonden waren erg huiverig dat daardoor de tribunes leeg bleven. Daarom werden zelfs de Olympische Spelen dat jaar in eigen land niet via de radio uitgezonden, tot enorme teleurstelling van de vele sportliefhebbers.