Een jaar geleden ontplofte in China al een sportstadion. Sinds deze week ligt er nog een bom onder de Olympische Spelen van 2008. Burn, Beijing, burn!

Wat een meesterlijk idee deze week van actiegroepen voor Tibet. In plaats van de uitgeholde eis voor een boycot van de Olympische Spelen van 2008 in Beijing wegens mensenrechtenschendingen hebben ze de oproep gedaan om Tibet toe te laten tot de Spelen, inclusief de vlag. “Wij willen dat Tibetaanse atleten hun eigen vlag kunnen tonen, naast andere sporters bij de Spelen.” Never-nooit dat het IOC en China dit goedkeuren, alhoewel het een heel redelijke eis is.

Revolutie op het sportveld

China snapt donders goed dat het idee van de Tibetanen niets anders is dan het begin van een revolutie, van de behoefte naar onafhankelijkheid. Hetzelfde gebeurde een halve eeuw geleden al in de voormalige DDR of Oost-Duitsland - toen nog een jong en vooral geïsoleerd land. Dit zocht internationale erkenning naast West-Duitsland als communistische variant. Het was tenslotte de tijd van de Koude Oorlog van Oost tegen West, van het communisme tegen het kapitalisme.

In dat geval zijn de Verenigde Naties volkomen oninteressant: slechts een suffe vergaderclub met grijze mannen die ongestraft hun vrouwelijke collega’s lastigvallen. Nee, eerst het lidmaatschap verwerven van internationale sportbonden als het IOC en de wereldvoetbalbond FIFA en dan komt de rest vanzelf wel. Sommige revoluties beginnen op de wc, andere – zoals deze – op het sportveld.

En verdomd: de DDR schoot internationaal wordtel. Zoals in Nederland bijvoorbeeld, dat pas in 1973 officieel het geïsoleerde land politiek erkende. Het Nederlands Elftal had toen echter al vijf interlands gespeeld tegen de Oost-Duitse voetballers. De Nederlandse internationals speelden dus tegen collega’s, die volgens hun eigen regering niet eens bestonden.

Vanuit puur machtspolitieke overwegingen voerde de DDR een briljante strategie. In communistische ogen bleek het IOC niets anders dan een voortzetting van het politiek verkeer met andere middelen. Erst kommt das Fußball und dann die Politik.

Dat wil Tibet blijkbaar ook en terecht! De strijd is deze week verplaatst naar de olympische beweging en zonder bloedvergieten ligt het initiatief sindsdien bij de actiegroepen. Gandhi, deel twee: geweldloos actievoeren met zicht op resultaat. Niet dat suffe ludieke met fluitjes en een halve minuut in het late nieuws, maar juist trefzeker.

Tibet had zijn voorgangers

Want wat is er mis met een vlaggetje extra tijdens de openingsceremonie in Beijing? In Athene deden er 201 landen mee en dan valt één meer of minder alleen een kniesoor op. Een kniesoor, die als verweer hoogstens kan zeggen: “Tibet is geen zelfstandig land en daarmee niet in staat mee te doen aan de Olympische Spelen.”

Nou en? Kijk eens naar de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam, met onder meer vier sporters uit de Filipijnen (toen nog een territorium van de Verenigde Staten) en 21 uit India (toen nog een kolonie van Groot-Brittannië, en na de finale tegen Nederland winnaar van hockeygoud). Of de Spelen van 1912 in Stockholm, waar Finland en de Bohemen aanwezig waren. Het eerste was toen nog deel van Rusland en de Bohemen behoorde tot de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije.

Daarom: wat mag Tibet niet wat andere gebieden bijna een eeuw geleden wel mochten? Het probleem is niet zozeer dat Tibetaanse deelname niet kan, maar hoogstens niet mag. En dat is politiek, lief IOC, en dat is toch gescheiden van sport?

Burn! Burn!

Als het IOC dus serieus vindt dat sport en politiek van elkaar gescheiden moeten blijven, doet Tibet mee in 2008. Volgend jaar wordt dan de tijd van de Chinese Olympische Spelen, het symbool van humanisme en een wereld vol hoop en verbondenheid. Geef ons de hitte van de Tibetaanse vlaggen - het symbool van een eeuwenoude cultuur. Burn, Beijing, burn!

Toch nog even de kniesoor: hééft Tibet eigenlijk wel sporters?