RIJSWIJK - 'Mevrouw het prinsesje', zo werd de kleine Juliaantje aan het hof wel genoemd. Voor haar werd in de houding gesprongen, ze werd opgevoed door meerdere oudere hovelingen. Haar moeder Wilhelmina was dol op haar enige, na miskramen gebaarde kind, maar was niet in staat het in de koude paleizen continu met haar zorg te omringen.

Wel begon ze al snel persoonlijk godsdienstonderricht te geven. Wilhelmina wilde ook niet dat haar dochtertje zo'n idiote jeugd zou krijgen als zijzelf, waarin ze helemaal geen kind had kunnen zijn. Jula mocht in de zandbak, op de pony, met poppen spelen en op schaatsen rijden. Echt onder de mensen kwam ze niet.

Haar vader prins Hendrik was haar kameraad, ze scharrelden samen door de paleistuinen en haalden, op hun manier, samen kattenkwaad uit. Helaas voor Juliana had Hendrik ook qua opvoeding van zijn dochter weinig in de melk te brokkelen.

Juliana moest 'klassikaal' les hebben, stelde Wilhelmina wel vooruitstrevend vast. Het werd alom zeer modern gevonden, maar het was betrekkelijk; de vorstin zocht drie klasgenootjes uit die met de prinses ten paleize onderwijs genoten: Elise baronese Bentinck, Bep baronesse van Hardenbroek en jonkvrouwe Miek de Jonge. Mevrouw A. van der Reyden gaf dit viertal les volgens de richtlijnen van Jan Ligthart.

Troon

Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog vond Wilhelmina het tijd om de opleiding van haar dochter te versnellen, een mens wist ook toen immers maar nooit. Het kind moest klaar zijn om op haar achttiende de troon te bestijgen.

Na vijf jaar les in de 'klas' kreeg ze geheel privé de belangrijkste lessen van HBS en Gym en preludeerde ze al op hoger onderwijs. Op haar achttiende mocht ze, na aarzelingen van haar moeder die de wildste verhalen hoorde over universiteitssteden, toch studeren in Leiden.

Leiden

Eerst een jaar, toen, vooruit, nóg een jaar. Jula mocht niet in Leiden wonen, dat was al te bont. Ze kreeg met drie zorgvuldig uitgekozen medestudentes onderdak in Katwijk aan Zee: 'De zeesterren' noemde het viertal zich. De adellijke 'backvisschen' hadden de grootste pret, maar het bleef allemaal zeer keurig.

Juliana liep alle colleges af: algemene geschiedenis, oud-vaderlands recht, adat-recht van Nederlands-Indië, volkenrecht, Nederlandse en Franse letterkunde, Slavische letterkunde, mythologie, sinologie, fenomenologie van de godsdienst en waterstaatsvraagstukken.

Vereniging

De prinses werd lid van de Vereniging van Vrouwelijke Studenten, die na haar aanmelding een krankzinnige toeloop van adspirant-leden te verstouwen kreeg.

Na twee jaar was de pret voorbij voor Juliana: de Academische Raad promoveerde haar tot eredoctor in de letteren en wijsbegeerte. Liever had Juliana echt een complete studie afgerond, maar het was weer tijd om zich onder de vleugels van haar moeder te bekwamen in het vak van vorstin. Juliana verliet Katwijk/Leiden met een droef gemoed.

Trieste periode

In 1934 werd haar bestaan op het paleis er niet vrolijker op: haar grootmoeder Emma en haar vader Hendrik stierven. Juliana maakte een intrieste periode door. Die zou echter snel worden doorbroken, want daar was hij: Bernhard zur Lippe Biesterfeld. Juliana was weg van de joyeuze Bernhard, die had gestudeerd in Lausanne, München en Berlijn en nu een baan had in de stad-der-steden Parijs.

Hij was een levensgenieter en liefhebber van mooie wijnen, kleren en auto's, maar ook iemand met fatsoenlijk werk, stelde Wilhelmina tevreden vast. Ze gaf haar fiat en de verloving werd op 8 september 1936 bekendgemaakt.

Bernhard bracht geur en fleur aan het leven van Juliana: na het huwelijk feestten ze tot vijf uur in de ochtend om vervolgens voor een maandenlange huwelijksreis door Europa te vertrekken. Stralend, afgeslankt, in kleding van de beste modehuizen, rokend en lang niet meer zo wereldvreemd kwam Juliana terug. Wat haar huwelijk haar ook zou brengen, haar leven zou nooit meer zo bedompt en saai zijn.