De rechtbank in Den Haag doet op 26 juni uitspraak in het kort geding tussen een coalitie van privacyvoorvechters en de Nederlandse Staat over de zogenoemde 'aftapwet'.

De groep van privacystichtingen en bedrijven heeft het kort geding aangespannen, omdat de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) op 1 mei in werking is getreden, zonder dat door het kabinet beloofde aanpassingen zijn doorgevoerd.

Het kabinet beloofde de wet op een aantal punten aan te passen, nadat een meederheid bij een raadgevend referendum tegen de wet heeft gestemd. De 'sleepnet'-functie in de wet zal worden ingeperkt. Daarnaast is de bewaartermijn verkort van drie naar één jaar, maar met de optie om tweemaal te verlengen. 

De groep privacyvoorvechters maakt zich zorgen over de bevoegdheden van de geheime diensten om op grote schaal internetverkeer af te tappen. Zij vrezen dat persoonlijke en gevoelige informatie van burgers, journalisten, advocaten en niet-gouvermentele organisaties bij de geheime diensten terechtkomt als zij een grootschalige tap plaatsen.

Bevriende landen

Ook maken zij zich zorgen over het delen van onderschepte gegevens met inlichtingendiensten van bevriende landen. De Nederlandse geheime diensten mogen onderschepte gegevens in sommige gevallen doorgeven aan anderen, zonder deze zelf ingezien te hebben.

Na het referendum werd beloofd dat hier strenger op zal worden gereguleerd, maar ook dat is nog niet opgenomen in de wet.

De privacyvoorvechters eisen dat deze onderdelen van de wet tijdelijk worden teruggetrokken tot het kabinet de wet aanpast. De Staat verweert zich daartegen.

Volgens de overheid is de wet op behandelde punten beter geformuleerd dan zijn voorganger uit 2002. Bovendien zijn er volgens de Staat voldoende waarborgen om een inbreuk op grondrechten tegen te gaan.