AMSTERDAM - De publieke omroepen hebben zich in 2001 en 2002 niet aan de Mediawet gehouden. Zij hebben teveel verstrooiende programma's uitgezonden en met het programmavoorschrift de hand gelicht. Dat blijkt uit een vrijdag gepubliceerd onderzoek van de Universiteit van Amsterdam.

Volgens de Mediawet, van kracht sinds 1 januari 2001, mag maximaal een kwart van alle uitgezonden programma's op Nederland 1, en 3 vallen onder het begrip verstrooiing. De Mediawet stelt ook eisen aan het aanbod van informatie, educatie, cultuur en kunst.

Het Commissariaat voor de Media stelt dat de Publieke Omroep voldoet aan de eisen van de Mediawet. Het onderzoekt of de programma's juridisch gezien aan de Mediawet voldoen. Onderzoekers kunnen uitzendingen ook sociaal-wetenschappelijk bekijken. Dan gaat het er om hoe iemand een programma ervaart, hoe die tegen een uitzending aankijkt. De een kan een programma verstrooiend vinden, terwijl een ander dat informatief vindt, legt een woordvoerder uit. Het kan volgens hem zijn dat de UvA de laatste methode heeft gehanteerd.

De universiteit heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van HMG, het bedrijf waar commerciële omroepen als RTL4 en 5 en Yorin onderdeel van zijn. Bakker benadrukt dat hij zijn onderzoek volstrekt onafhankelijk heeft uitgevoerd. "HMG heeft niets mogen zeggen over de inhoud. Wij hebben het geschreven en gepubliceerd", aldus Bakker.

Uit het onderzoek van de UvA blijkt dat Publieke Omroep (PO) over 2001 en 2002 te veel programma's als niet-verstrooiend beschouwt. Het gaat dan om sport, kinderprogramma's, een groot deel van het tv-drama (films en series), muziek en praatprogramma's. Volgens UvA-hoofddocent communicatiewetenschap P. Bakker hanteert de Publieke Omroep "een zeer beperkte opvatting van verstrooiing". Bakker: "Op grond van de mediawet is dit niet te verdedigen."

Publieke Omroep stelt in eigen rapportages dat hij wel voldoet aan het programmavoorschrift. In 2001 zou hij 2 procent van de zendtijd aan amusement/verstrooiing hebben besteed, in 2002 15 procent. Het grote verschil valt volgens Bakker te verklaren uit het feit dat in 2002 een deel van het buitenlands drama (series en speelfilms) wel viel onder de PO-definitie van verstrooiing, terwijl dat in 2001 nog niet het geval was.

Alles wijst er volgens Bakker op dat Publieke Omroep zijn definitie van het begrip verstrooiing door de jaren heen steeds heeft aangepast aan al dan niet bestaande wetgeving. "In de eerste helft van de jaren '90 werd een minimum van 25 procent amusement of verstrooiing voorgeschreven. Toen meldden de omroepen percentages tot 70 procent."

Publieke Omroep en het Commissariaat voor de Media hebben volgens Bakker hun medewerking aan het onderzoek geweigerd. "Je zou bijna denken dat ze iets te verbergen hebben", aldus Bakker. "Publieke Omroep vindt dat zijn definitie van verstrooiing in lijn is met de Mediawet. Daarom willen de omroepen niet meewerken aan ons onderzoek", vermoedt de wetenschapper.