Het regent beursgangen in de VS. Net als in 1999-2000 betreft het vooral internetbedrijven, maar toch is de beursrage van nu niet te vergelijken met toen, schrijft de Wall Street Journal.

Oudere beleggers in Nederland weten het nog goed. De opgestoken duimen van Nina Brink bij de beursgang van World Online. Op 17 maart 2000 werd met de WOL-koorts het hoogtepunt bereikt van de Nederlandse internet- en telecomhype.

Het is een van de grootste trauma's uit de Nederlandse beursgeschiedenis. Een half jaar later was er van het miljardenbedrijf nauwelijks iets over. Tienduizenden particulieren bleven met enorme verliezen zitten.

New economy

Sommigen beleggers verloren hun hele vermogen, meestal niet alleen door de WOL-implosie, maar ook door beleggingen in andere nieuwe economie-bedrijven zoals KPN Quest, Versatel, Pink Roccade en Newconomy van Maurice de Hond.

Tot op de dag vandaag staat de fase 1999-2000 bekend als de periode met de meeste beursgangen en emissies ooit. Dat was uiteraard niet alleen in Nederland zo, maar ook in Londen, New York en andere financiële centra.

Beleggers hadden in het begin geen klagen. De zakenbankiers verdienden tientallen miljarden. Het kon niet op, tot medio 2000 steeds meer bedrijven in financiële nood kwamen en de luchtbel barstte.

20 jaar later

Het was een situatie waarvan economen destijds dachten dat hij zich nooit meer zou herhalen. Maar nu, bijna 20 jaar later, waarschuwen sommige analisten dat het toch weer oppassen geblazen wordt met Amerikaanse IPO’s als Pinterest, Slack, Postmates, Lyft, Uber en Airbnb.

Dat we in de VS weer in een fase zitten met enorme beursgangen en exits van zittende aandeelhouders staat volgens The Wall Street Journal (WSJ) buiten kijf. Het is alleen de vraag of het eerlijk is deze beursgangen te vergelijken met die van 1999-2000.

WSJ vindt van niet. Destijds was een trackrecord van een paar jaar, een minimale omzet en dotcom in de naam al genoeg om de sprong naar de beurs te wagen. Nu is er toch wat meer voor nodig.

Leeftijd nieuwkomers sterk gestegen

Jay Ritter van de University of Florida heeft onderzoek gedaan naar Amerikaanse initial public offerings gedurende de periode 1999-2000 en 2018. Wat bleek, in 1999-2000 bestond een beursnieuwkomer gemiddeld maar 4,5 jaar, terwijl dat in 2018 twaalf jaar was.

Daarnaast was de gemiddelde omzet van IPO-bedrijven in 1999-2000 twaalf miljoen dollar, terwijl dat in 2018 was opgelopen naar 173,6 miljoen dollar. Een enorm verschil dus, wat volgens Ritter de kans verkleint dat beleggers tegen beursflaters aan lopen.

De historie wijst namelijk uit dat de overlevingskansen van bedrijven toeneemt naarmate ze langer bestaan en een hogere omzet hebben.

Nooit meer een klapper als Amazon?

Aan die relatieve veiligheid zitten overigens niet alleen maar voordelen, waarschuwt de WSJ. Soms wordt de indruk gewekt dat er in de begindagen van de dotcom-luchtbel alleen maar onzinbedrijven naar de beurs zijn gekomen, maar dat is natuurlijk niet zo.

Neem Amazon dat in 1997 naar de beurs kwam, slechts drie jaar nadat Jeff Bezos het bedrijf in zijn garage had opgezet. Het bedrijf had toen amper omzet. Het enige waar Amazon in uitblonk was verliesmaken.

Maar wie toen 1000 dollar had geïnvesteerd en deze aandelen had gehouden tijdens de crash in 2000, was nu wel miljonair geweest.

WSJ denkt dat de kans dat dit lukt met Uber of Lyft – twee bedrijven die al jaren bestaan en miljarden omzet draaien – is marginaal. Anders gezegd: In 1999-2000 kwamen er nog startups naar de beurs waar met veel geluk enorme winsten mee waren te behalen.

Angel investors

Nu zijn dit soort bedrijven voor een gewone particulier onbereikbaar omdat ze worden opgepikt door angel investors en investeringsmaatschappijen, die op de koop toenemen dat het in negen van de tien gevallen misgaat.

Een Amazon is immers genoeg om het verlies goed te maken van negen total loss-bedrijven als WOL, EToys, Webvan en Pets.com.