Globalisering werkt, tenminste op de aandelenmarkt. Buitenlanders beleggen steeds meer in Amerikaanse aandelen en omgekeerd ook.

Net na de Tweede Wereldoorlog was slechts een fractie van de op de beurs verhandelde Amerikaanse aandelen in handen van buitenlands beleggers. Tegenwoordig gaat om 15 procent, een hoger percentage dan ooit het geval was.

Omgekeerd is er van een vergelijkbare ontwikkeling sprake. Amerikanen moesten een halve eeuw geleden nog niets weten van buitenlandse aandelen. Tegenwoordig is bijna een kwart van hun aandelenportefeuille belegd in aandelen van buitenlandse bedrijven.

Aandelen zijn toch al in trek bij Amerikaanse beleggers. Sinds het dieptepunt van de kredietcrisis in 2009 is het percentage in aandelen bijna verdubbeld naar 39 procent. Alleen op het hoogtepunt van de internetbubbel in 2010 was de aantrekkingskracht van aandelen groter.

Buitenlandse obligatiehouders

Dit blijkt allemaal uit cijfermateriaal dat Ben Carlson heeft verzameld. De aantrekkingskracht van buitenlandse aandelen is volgens Carlson vooral te verklaren doordat veel het eenvoudig is geworden om in wereldwijde aandelen te beleggen.

Wat obligaties betreft is de ontwikkeling nog indrukwekkender. Begin jaren vijftig van de twintigste eeuw was ruim 60 procent van de Amerikaanse overheidsobligaties in handen van banken en huishoudens.

Tegenwoordig zijn beide categorieën goed voor ongeveer 10 procent van de totale obligatievoorraad. Buitenlandse beleggers zijn de belangrijkste groep, zo blijkt uit informatie van Goldman Sachs die Carlson citeert.

Positief gevolg

Niets om zich zorgen over te maken, aldus Carlson. Hij beschouwt het als een positief gevolg van de globalisering. Carlson kijkt wel met gefronste wenkbrauwen naar de ontwikkeling van de verdeling van de rijkdom onder de bevolking. De rijken worden relatief veel rijker.

Zo recent als 1989 had de armste helft van de Amerikaanse bevolking nog altijd ruim 1 procent van het totale aandeelhouders vermogen in bezit. Deze groep is nu bijna onzichtbaar. Het belang van de groep die de volgende 40 procent uitmaakt (van 50 procent-90 procent) is in de periode 1989-2016 meer dan gehalveerd naar ongeveer 8 procent.

Het percentage van de rijkste 1 procent is daarentegen juist gestegen van ongeveer 35 procent naar meer dan 50 procent. De top–promille, een duizendste van de bevolking, zag haar belang stijgen van 12 procent naar 17 procent. Volgens Carlson is het een oproep voor mensen om meer in aandelen te gaan beleggen.

Meer in aandelen beleggen

Zo kan een grotere groep profiteren van de geneugten van het aandelenbezit. Maar daarmee preekt de vermogensbeheerder natuurlijk zeker voor eigen parochie. Dat doet hij ook als hij de opkomst van ETF’s relativeert.

Reguliere beleggingsfondsen bezitten nog altijd vijftien keer meer obligaties en vier ker meer aandelen dan ETF’s. Er is volgens Carlson nog een lange weg te gaan voordat ETF’s belangrijker zijn dan , volgens Carlson, meer belastingvriendelijke beleggingsfondsen.

In tegenstelling tot de andere cijfers laat hij geen historische reeks zien. De rol van beleggingsfondsen mag dan veel groter zijn, maar het belang daalt snel. Geen probleem, aldus Carlson. Concurrentie is goed voor de wereld van het vermogensbeheer.