De S&P 500-index is de duurste aandelenmarkt in de wereld, gelet op de cyclisch gecorrigeerde koers-winstverhouding (CAPE).

Dat schrijft Nobelprijswinnaar en Yale-hoogleraar Robert Shiller in een artikel op de gerenommeerde opiniewebsite Project Syndicate.

Shiller is de bedenker van de CAPE-ratio, ook wel de Shiller K/W genaamd. Hij vraagt zich af of de spectaculaire bedrijfsresultaten ook spectaculaire Amerikaanse aandelenkoersen verdienen of dat we getuige zijn van een zeepbel.

Beurs volgt winstontwikkeling

De econoom wijst erop dat de Amerikaanse aandelenmarkt, gemeten aan de hand van de maandelijkse reële voor inflatie gecorrigeerde S&P 500-index, 3,3 keer in waarde is toegenomen sinds de bodem in maart 2009. 

"Men zou kunnen denken dat de toename gerechtvaardigd is, aangezien de reële winst per aandeel van de S&P 500 in dezelfde periode met factor 3,8 keer is gestegen. De koersstijging is zelfs een beetje minder dan de toename van de bedrijfswinsten", zo schrijft hij.

2008 was echter een ongewoon jaar. Daarom nam Shiller ook de winstgroei vanaf het begin van de regering onder leiding van Trump, in januari 2017, onder de loep. Bij deze meting blijkt dat de aandelenkoersen in de VS met 24 procent zijn gestegen, terwijl de reële bedrijfswinsten in die periode toenamen met bijna 20 procent.

"Met aandelenkoersen en bedrijfswinsten die bijna synchroon bewegen, zou men kunnen concluderen dat de Amerikaanse aandelenmarkt zich verstandig gedraagt en zich simpelweg laat leiden door de groeiende kracht van de Amerikaanse economie", aldus Shiller.

Winsten zijn volatiel

Maar het is volgens de econoom belangrijk om in gedachten te houden dat de bedrijfswinsten zeer volatiel kunnen zijn. "Plotselinge scherpe winsttoenames worden vaak binnen een paar jaar teruggedraaid. Dit is meer al dan twaalf keer gebeurd in de geschiedenis van de Amerikaanse aandelenmarkt."

De bedrijfswinsten verschillen van de meeste andere economische variabelen, omdat ze hoofdzakelijk worden gedefinieerd als het verschil tussen twee reeksen: inkomsten en uitgaven. Een snelle groei van de winst voor een paar jaar kan dus gemakkelijk worden gevolgd door een terugkeer naar de langetermijntrend of zelfs naar een lager niveau.

Hoofd koel

Beleggers zouden volgens Shiller dan ook niet overmatig moeten reageren op winstgroei. Zo stegen de reële winsten van de S&P-bedrijven tussen 1914 en 1916 met 2,6 keer, terwijl de beurskoersen toen met slechts 16 procent opliepen. De belangrijkste reden waarom beleggers destijds het hoofd koel hielden was, omdat ze zich realiseerden dat de winsten na de Eerste Wereldoorlog weer zouden normaliseren. 

Maar de bewegingen van de aandelenprijzen waren niet altijd even rationeel als in 1916. De reactie van de markt op de winststijgingen was veel positiever in de jaren twintig van de vorige eeuw.

Grand depression

Na het einde van de recessie van 1920-1921 was er sprake van een ruime vervijfvoudiging van de reële bedrijfswinsten in de jaren die volgden tot de crisis van 1929. De reële aandelenkoersen stegen bijna even hard: deze stegen meer dan vier keer in waarde. Net als bij de internetbubbel eind jaren negentig waren beleggers zeer optimistisch over de toekomstige bedrijfswinsten.

Gezien de huidige hausse in bedrijfswinsten en aandelenkoersen geloven beleggers volgens Shiller blijkbaar dat "deze hausse zal voortduren, of tenminste dat andere beleggers denken dat het zou moeten blijven bestaan. Dat is de reden waarom ze de aandelenkoersen opdrijven, in een dramatische reactie op de winststijgingen".

Overdreven reacties

De reden voor dit vertrouwen is moeilijk te bepalen, maar het moet volgens Shiller geworteld zijn in het verlies van de gezonde scepsis van het publiek over de bedrijfswinsten.

Een berenmarkt kan volgens de econoom opdoemen zonder waarschuwing of duidelijke reden, of met de volgende recessie, en zal de bedrijfswinsten negatief beïnvloeden. Die uitkomst is niet zeker, maar het zou volgens Shiller passen in een historisch patroon van overdreven reacties op veranderingen in de bedrijfswinsten.