De rechtbank heeft drie barmannen vrijgesproken van verkrachting van een vrouw. Volgens de rechtbank kon de aanklacht van de vrouw niet bewezen worden.

De vrouw bezocht op 25 augustus 2016 de bar waar de drie verdachten werken. Na sluitingstijd verrichtte ze seksuele handelingen met de drie mannen.

Op het bewuste moment was de vrouw onder invloed van drank en drugs. Volgens de officier van justitie verkeerde ze daarom in een staat van verminderd bewustzijn en kon ze niet duidelijk maken of ze behoefte had aan seksueel contact met de verdachten.

De officier stelde dat de barmannen het uitdagende gedrag van de vrouw aan zich voorbij moeten laten gaan. Daarom werd een een gevangenisstraf van 182 dagen geëist, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Gebrek aan objectief bewijs

De rechtbank stelt echter dat er geen bewijs is dat ze tijdens de seks in een staat van lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn. 

Volgens de rechter zijn er wisselende verklaringen afgegeven over de staat waarin de vrouw verkeerde en is er geen objectief bewijs in de vorm van een adem- of bloedonderzoek naar het drugs- en alcoholgehalte bij de vrouw.

De beschikbare camerabeelden zijn volgens de rechtbank eveneens geen aanleiding om te spreken van een staat van verminderd bewustzijn. Daarom had de vrouw volgens de rechtbank voldoende weerstand kunnen bieden aan de seksuele verlangens van de verdachten, die zijn vrijgesproken.