Maastricht UMC+ start samen met vier andere landen een onderzoek naar de mogelijke invloed van stress en depressie bij het ontstaan van de ziekte van Alzheimer.

Er zijn sterke aanwijzingen dat emotionele factoren invloed uitoefenen op genetische processen in de hersenstam, waar het ontstaan van de aandoening wordt gestimuleerd. De onderzoekers hebben 1,4 miljoen euro gekregen om te kijken of die theorie te bevestigen is.

Veel onderzoek naar Alzheimer richt zich momenteel op specifieke hersenregio’s die in een later stadium van de aandoening een rol spelen. Het team gaat onderzoeken of er al in een vroegere fase zogenoemde epigenetische veranderingen in de hersenstam optreden, als er nog nauwelijks symptomen waarneembaar zijn.

Epigenetica bestudeert de subtiele invloed van omgevingsfactoren zoals stress op genetisch materiaal. Die epigenetische veranderingen moeten duidelijkheid bieden bij het beter voorspellen van de ontwikkeling van de ziekte.

Erfelijk materiaal

"Het is te vergelijken met een eeneiige tweeling", legt onderzoeker en coördinator Van den Hove uit. "Genetisch zijn zij exact hetzelfde, maar veertig jaar na de geboorte zijn er wel degelijk verschillen waarneembaar in hun erfelijk materiaal. Dat is het effect van omgevingsfactoren." 

Volgens de onderzoeker laten emotionele gebeurtenissen een stempel achter. Daardoor vermoeden zij dat een dergelijk mechanisme ook aan het werk is in de vroegste fase van de ziekte van Alzheimer.

De groep wetenschappers gaat proberen te achterhalen welke genen uit de hersenstamcellen door stress worden beïnvloed. Daarna wordt gekeken of die epigenetische veranderingen ook zijn waar te nemen in bloedmonsters.

"Als dat het geval blijkt, kunnen we nauwkeurigere en individuelere voorspellingen maken over het risico op Alzheimer", zegt Van den Hove. "Het ultieme doel is om deze specifieke genen uiteindelijk als aangrijpingspunt voor therapie te nemen."