Na een simpele therapiesessie van een uur gaat bijna driekwart van de mensen met acute slapeloosheid beter slapen, zo blijk uit een onderzoek van Northumbria University.

De resultaten van het onderzoek zijn woensdag gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Sleep.

Aan het onderzoek deden 40 volwassenen mee die sinds maximaal 3 maanden last hadden van slapeloosheid. Ze gebruikten geen slaapmedicatie en hadden nog nooit cognitieve gedragstherapie gevolgd.

De proefpersonen werden in twee groepen verdeeld. Ze hielden allemaal een week een dagboek bij waarin ze de duur en kwaliteit van hun slaap noteerden.

Daarnaast beantwoordden ze een vragenlijst - de Insomnia Severity Index - waarmee vastgesteld werd wat voor type slapeloosheid ze hadden, hoe ernstig deze was en wat voor impact het slechte slapen had.

De ene helft volgde één-op-één een sessie cognitieve gedragstherapie van een uur. Ze leerden over slaap en de slaapbehoefte op verschillende momenten in het leven. Ook kregen ze informatie over slaaprestrictie: het principe dat je alleen de tijd die je nodig hebt om te slapen in bed mag doorbrengen.

Op basis van hun slaapdagboek adviseerden de onderzoekers hen op welk tijdstip ze het beste konden gaan slapen en weer opstaan. Daarnaast kregen ze aanvullende informatie mee naar huis. De andere helft, de controlegroep, kreeg geen hulp.

Groot verschil

Na de behandeling bleek er een groot verschil te zijn tussen de groepen. Binnen een maand na de cognitieve gedragstherapie meldde 60 procent van de proefpersonen dat ze beter waren gaan slapen. Na drie maanden merkte zelfs 73 procent verbetering. Van de controlegroep ging maar 15 procent beter slapen.

"Hoewel er bewijs is dat cognitieve gedragstherapie kan helpen bij chronische insomnie, was het tot dit onderzoek nog niet getest bij acute slapeloosheid."

"De resultaten van ons onderzoek laten duidelijk zien dat één therapiesessie al succesvol kan zijn, met een verbetering van de slaapkwaliteit binnen een maand bij 60 procent. Op de lange termijn waren de resultaten zelfs nog beter: driekwart van de proefpersonen ontwikkelde na de interventie geen chronische slapeloosheid”, zegt Jason Ellis.