Een arts mag het leven van een pasgeboren baby beëindigen, als een behandeling medisch zinloos is.

Dat stelt artsenorganisatie KNMG in een woensdag verschenen standpunt over beslissingen rond het levenseinde bij pasgeborenen met zeer ernstige afwijkingen. De organisatie wil daarmee de beroepsgroep handvatten geven hoe te handelen in dit soort ingrijpende situaties.

Het gaat om baby’s die ondanks zeer intensieve behandeling op korte termijn zeker overlijden, baby’s die een slechte prognose en een zeer somber levensperspectief hebben, en baby’s die niet afhankelijk zijn van intensieve behandeling maar een leven van ernstig en uitzichtloos lijden tegemoet gaan.

Volgens de richtlijn zal de arts in dat geval de ouders informeren en met hen bespreken dat dit ook betekent dat het kunstmatig toedienen van vocht en voeding gestaakt gaat worden, om onnodige verlenging van lijden te voorkomen. De arts gunt de ouders daarbij enige tijd voor acceptatie.

Spierverslappers

Als een baby zichtbaar lijdt door het 'naar adem happen’ vindt de KNMG het toedienen van spierverslappers gerechtvaardigd. Dat kan ook als het reeds ingezette stervensproces voor de ouders zo lang duurt dat het bij hen ernstig lijden veroorzaakt.

Jaarlijks sterven ongeveer 650 pasgeborenen, vaak vanwege zeer ernstige aangeboren afwijkingen en ondanks intensieve zorg. De organisatie zegt dat het standpunt is opgesteld in nauwe samenwerking met kinderartsen, verpleegkundigen, juristen en ethici.

Criteria

De KNMG vindt het van medisch en maatschappelijk belang dat er nu duidelijke criteria zijn. Ook wordt bij artsen mogelijke angst voor vervolging weggenomen en hebben instanties als de Inspectie voor de Gezondheidszorg, het Openbaar Ministerie en de commissie-Hubben ook iets om op terug te vallen. De commissie-Hubben adviseert het OM over de beoordeling van meldingen van levensbeëindiging bij pasgeborenen en late zwangerschapsafbreking.