LEIDEN - Mensen met een bepaalde genetische variatie hebben meer kans op eetstoornissen. Dat heeft Rita Slof-Op ’t Landt van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) ontdekt.

De onderzoekster promoveerde dinsdag aan het LUMC. Tweelingstudies wijzen erop dat erfelijke factoren een rol spelen bij eetstoornissen, zoals anorexia nervosa en boulimia nervosa.

Slof-Op ’t Landt onderzocht welke genen de kans beïnvloeden om anorexia en eetstoornissen die gepaard gaan met zelfopgewekt braken te ontwikkelen.

Eetstoornissen

Ongeveer 0,3 procent van de vrouwen tussen 15 en 29 jaar lijdt aan anorexia nervosa (stoornis gekenmerkt door ondergewicht en extreme angst om in gewicht aan te komen of dik te worden) en 1 procent aan boulimia nervosa (eetbuien gecombineerd met braken of gebruik van laxeermiddelen).

De onderzoekster vergeleek vier mogelijk bij eetstoornissen betrokken genen van patiënten met die van gezonde mensen. Ze ontdekte dat één ervan, het gen voor tryptofaanhydroxylase 2 (TPH2) gekoppeld is aan de kans op de ontwikkeling van eetstoornissen. Bepaalde varianten van dit gen blijken de kans hierop te verhogen.

Impulsiviteit

Daarnaast bleek genetische variatie binnen dit gen ook betrokken bij impulsiviteit. Het gen speelt een belangrijke rol binnen het serotoninesysteem. Dat systeem is betrokken bij verschillende biologische, fysiologische en gedragsfuncties die een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van een eetstoornis.

"Genetische variatie in TPH2 lijkt dus invloed te hebben op impulsiviteit, wat de kwetsbaarheid op het ontstaan van anorexia nervosa of eetstoornissen gekenmerkt door zelfopgewekt braken kan beïnvloeden.", aldus de promovenda.