WAGENINGEN - Oudere mensen die een volkstuintje hebben, zijn meetbaar gezonder en fitter dan hun leeftijdgenoten die niet zo'n plekje groen bezitten.

Gemiddeld brengt een zestigplusser in de zomer 32 uur per week door 'op de tuin', zoals dat wordt genoemd.

Dat heeft Agnes van den Berg van onderzoeksbureau Alterra, onderdeel van Wageningen Universiteit, vastgesteld in een onderzoek naar het gezondheidseffect van volkstuinen.

Achttiende eeuw

Volgens Alterra was dit aspect van de aloude volkstuin nooit eerder onderzocht. Volgens haar zou de overheid er in het kader van de vergrijzing goed aan doen de aanleg van volkstuincomplexen veel meer te stimuleren.

In Nederland zijn op dit moment nog ongeveer 240.000 volkstuinen, verdeeld over ongeveer duizend complexen. Het fenomeen dateert uit de achttiende eeuw. Door de industrialisatie gingen mensen in fabrieken werken.

Openluchtrecreatie

Deze fabrieksarbeiders kregen buiten de stad een lapje grond om hun eigen groenten te kunnen verbouwen. Tegenwoordig heeft vrijwel niemand meer een volkstuin voor de opbrengst, het is volgens de onderzoekster vooral een vorm van openluchtrecreatie geworden.

Van den Berg vergeleek volkstuinders van twaalf complexen met hun buren zonder volkstuin. De oudere tuinbezitters kregen opvallend meer lichaamsbeweging.

Zitten

Dat verschil werd overigens niet gevonden onder mensen jonger dan 62 jaar. Mogelijke verklaringen zijn dat jongeren minder actief zijn in hun volkstuin, maar die vooral gebruiken om er buiten te kunnen zitten, of dat jongere mensen zonder volkstuin toch wel bewegen.

Overigens is het merendeel van de volkstuinders in Nederland gepensioneerd, aldus de onderzoekster.