Koopkrachtvoorspellingen wekken bij veel mensen irritatie op. Zo komen op discussieplatform NUjij veel reacties over Jan Modaal binnen, die volgens lezers steeds moeilijker kan rondkomen. Dat staat haaks op de positieve koopkrachtpercentages die het kabinet jaarlijks presenteert. Wordt de portemonnee van veel Nederlanders krapper?

Eerst even een misverstand uit de wereld helpen. Het is logisch dat niemand zich precies herkent in de koopkrachtcijfers. Want - schrik niet - Jan Modaal bestaat niet.

"In de voorspelling wordt uitgegaan van een modelpersoon en van statische koopkracht", legt Rabobank-hoofdeconoom Menno Middeldorp uit. "Dat laatste betekent dat wordt aangenomen dat er verder niets verandert, terwijl dingen zoals promotie, ontslag of een scheiding de koopkracht veel meer beïnvloeden dan overheidsbeleid."

Bovendien is de groei van de totale economie groter dan wat mensen ervan merken, stelt Marike Knoef, hoogleraar empirische micro-economie aan de Universiteit Leiden. "Dus ik begrijp wel waar het gevoel vandaan komt." In 2017 hadden Nederlanders zo'n 5 procent meer koopkracht dan in 2008, becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) eerder. "Dat voel je niet heel erg in de portemonnee."

De definitie van rondkomen is veranderd

Wel is het begrip 'rondkomen' subjectief, zegt Knoef. "De verwachtingen van mensen zijn veranderd. Horen vakanties erbij of niet? De definitie van rondkomen is afhankelijk van wat je gewend bent."

Wat wél vaststaat, is de armoedegrens. Volgens het CBS lage de zogenoemde lage-inkomensgrens in 2017 voor een alleenstaande op 1.040 euro, voor een alleenstaande ouder op 1.380 euro en voor een stel met twee kinderen op 1.960 euro per maand. Het aandeel huishoudens met een laag inkomen schommelt, maar daalde uiteindelijk tussen 2000 en 2017 toch van 11,8 naar 8,2 procent.

“Juist voor mensen die regelingen nodig hebben, is het moeilijk om ze aan te vragen.”
Marike Knoef, hoogleraar Universiteit Leiden

De koopkrachtontwikkeling van de armste 10 procent van Nederland liet echter tussen 2012 en 2018 een negatiever beeld zien dan die van hogere inkomens, zegt Knoef. "Dat zou er dan weer mee te maken kunnen hebben dat er in die tijd is geprobeerd om werken lonender te maken. Aan de onderkant van de inkomensverdeling zitten in verhouding meer mensen met een uitkering."

Een woud van toeslagen en kortingen helpt niet mee

Al zijn de koopkrachtcijfers niet in een 'Jan Modaal' uit te drukken, het kabinet blijft ze wel als essentieel beschouwen en probeert met een positief beeld voor iedereen te komen. Politici worden op de cijfers afgerekend, juist omdat ze als een belofte worden gepresenteerd. Net zo lang draaien aan de knoppen tot er op papier voor alle groepen een plus te zien is; dat is hoe het op dit moment gaat. Geen goede gang van zaken, vinden veel economen.

Dit heeft immers een woud van toeslagen en kortingen en daarmee een steeds ingewikkelder belastingsysteem tot gevolg. "Enerzijds wil je mensen helpen met toeslagen en dergelijke - wat goed is", zegt Knoef hierover. "Anderzijds wordt het zo juist voor mensen die zulke regelingen nodig hebben het moeilijkst om hun belastingformulier in te vullen."

"Ik vind het als econoom al niet gemakkelijk", vult Middeldorp aan. "Op deze manier worden regelingen niet geclaimd, omdat mensen er niet van weten."

Schijnzekerheid van de koopkrachtcijfers

Los van de toenemende complexiteit staat de politiek er volgens Middeldorp niet bij stil dat het sturen op positieve koopkrachtcijfers alleen schijnzekerheid biedt. "En als de raming geen echte zekerheid biedt, waarom zou je er dan zo op sturen?"

Voor 2018 voorspelde het Centraal Planbureau (CPB) bijvoorbeeld op basis van het overheidsbeleid en de economische groei een koopkrachtstijging van 0,6 procent voor de mediaan van de huishoudens. Terugblikkend concludeerde het CBS dat er uiteindelijk echter 'maar' een stijging van 0,3 procent was behaald.

Dat percentage geldt overigens voor de mediaan: het middelste huishouden. "De helft van de huishoudens kreeg dus meer, de andere helft kreeg minder dan deze koopkrachtstijging", voegt Middeldorp eraan toe. "Dat verklaart ook de reacties van veel mensen op zulke cijfers: een groot deel ziet het zelf niet terug."

“Wat mensen willen op de woningmarkt, is niet te vatten in een koopkrachtcijfer.”
Menno Middeldorp, Rabobank-hoofdeconoom

'Gevoelsmatig zitten mensen vast'

Wat ook niet helpt bij de beeldvorming over de koopkracht, is de krapte op de woningmarkt, zegt de econoom. "Als er één plek is in de Nederlandse economie waar mensen vastzitten, is het op de huizenmarkt."

"Wat mensen op de woningmarkt willen bereiken, is echter niet te vatten in een koopkrachtcijfer. Iemand kan de ambitie hebben om een huis te kopen, een prima inkomen hebben, maar toch vastzitten in een huurwoning in de vrije sector. Die huur is zo hoog dat er geen ruimte is om te sparen. Dat draagt bij aan het gevoel dat je niet verder komt."

Ook toenemende overheidsuitgaven aan bijvoorbeeld de zorg leiden ertoe dat de koopkracht niet erg stijgt, zegt hoogleraar Knoef. "Een aanzienlijk deel van de economische groei wordt zo door de overheid opgesnoept. Die uitgaven zijn nuttig, maar gaan wel af van het geld dat mensen vrij kunnen besteden."

"Koopkracht is een nauwe manier om naar de welvaart te kijken", besluit Middeldorp. "Mensen hebben het gevoel dat ze geen grip hebben op hun leven en dat moet anders." Hij sluit zich aan bij hoogleraar toegepaste economie Barbara Baarsma, die onlangs in NRC schreef dat de politiek moet stoppen met koopkrachtknutselen achter de komma. Inzetten op onderwijs, baankansen en weerbaarheid bij ontslag is beter.

Middeldorp: "De overheid kan mensen helaas niet beloven dat hun koopkracht altijd zeker is, maar kan wel helpen om ze weerbaarder en wendbaarder te maken om zo tegenvallers op te vangen."