Vorig jaar waren weer iets meer vrouwen economisch onafhankelijk, blijkt woensdag uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Vooral vrouwen met een partner en minderjarige kinderen maakten een inhaalslag. Tussen 2011 en 2018 groeide het aandeel economisch zelfstandige vrouwen binnen deze groep van 57 naar 65 procent.

"Steeds meer moeders blijven (evenveel uren) werken na de geboorte van hun eerste kind, waardoor ze vaker economisch zelfstandig blijven", verklaart het statistiekbureau.

Van alle vrouwen van vijftien jaar tot de AOW-leeftijd die geen onderwijs volgen, was 62 procent vorig jaar economisch zelfstandig. In 2017 was dit aandeel nog iets meer dan 60 procent.

Bij mannen nam de zelfstandigheid toe van ruim 79 procent in 2017 naar ruim 80 procent in 2018. Het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen bedraagt daarmee nog altijd 18 procentpunt.

Onder economische zelfstandigheid verstaat het statistiekbureau dat iemand met werk minimaal een inkomen op het niveau van bijstand voor een alleenstaande verdient. Die drempelwaarde was vorig jaar 960 euro netto per maand.

Het doorsnee brutojaarinkomen uit werk was bij mannen vorig jaar 50.000 euro bruto, terwijl dat bij vrouwen 31.000 euro was. Dat komt volgens het CBS vooral door de arbeidsduur: mannen werken vaker fulltime, terwijl vrouwen meer in deeltijd werken.

In de jaren na de economische crisis was er weinig beweging in het aandeel economisch zelfstandige vrouwen. Bij mannen was zelfs een lichte daling te zien, doordat ze vaker in sectoren werken die gevoeliger zijn voor economische schommelingen. Sinds 2014 is voor beide groepen de economische zelfstandigheid weer toegenomen.