Belastingen, aftrekposten en toeslagen: we hebben er nogal wat. Maar waar zijn ze precies goed voor, en waar komen ze vandaan? In Jouw belastingcenten nemen we elke keer een andere toeslag of belasting onder de loep. Deze keer: de vermogensbelasting.

Of laten we haar bij de juiste naam noemen: sinds 2001 heet ze de vermogensrendementsheffing en wordt ze geheven via de inkomstenbelasting. Om precies te zijn in box 3 - de box voor sparen en beleggen.

Dit zijn inkomsten uit bijvoorbeeld rente op spaargeld en dividend op aandelen. Maar ook huurinkomsten - mocht je je vakantiehuis verhuren aan toeristen. Er is ook een vrijstelling: alleen bij vermogens boven de 30.360 euro hoeft men vermogensrendementsheffing te betalen.

Veel landen hebben hun vermogensbelasting geschrapt. Kapitaalvlucht, belastingontwijking en de beperkte opbrengst voor de fiscus zijn vaak gehoorde redenen. Veel spaarders vinden dat vermogens(rendement)belasting een onrechtvaardige taks op het al belaste inkomen is.

Vermogen opbouwen dankzij anderen

Dat laatste kun je bekritiseren vanuit een rechtvaardigheidsperspectief, meent filosoof en econoom Ingrid Robeyns, hoogleraar Ethiek van Instituties bij de Universiteit Utrecht.

"Stel je bent een dj en je maakt muziek waarmee je geld verdient. Een bepaald deel van je fortuin had je niet alleen kunnen maken - je had het werk van anderen ervoor nodig", zegt de filosoof, verwijzend naar sampling, waarbij dj's/producers de muziek van anderen gebruiken om iets nieuws te maken.

Robeyns wil hiermee zeggen dat we bijna altijd vermogen opbouwen dankzij het werk, de kennis en de infrastructuur van anderen: "Als je het zo ziet, denk je misschien minder dat dit 'mijn verdiensten' zijn. Daarom denk ik dat je over extreem hoge fortuinen niet kan zeggen dat je het allemaal zelf hebt verdiend."

Al in Romeinse tijden een vorm van vermogensbelasting

De vermogensbelasting gaat ver terug. Al sinds Nederland onderdeel was van het Romeinse Rijk kennen we hier een vorm van vermogensbelasting.

"En in de feodale middeleeuwen was er ook een soort vermogensbelasting op grond. Die kon betaald kon worden in natura: of in arbeid, of in de opbrengst van de grond", vertelt Anne-Marieke van Schaik, conservator bij het Belasting & Douane Museum in Rotterdam.

“Enige vorm van economisch ongelijkheid kan je moreel rechtvaardigen.”
Ingrid Robeyns, hoogleraar Ethiek van Instituties

In 1805 werd de Belastingdienst opgericht en een landelijke vermogensbelasting ingevoerd. Vermogen werd bepaald aan de hand van uiterlijke schijn, vertelt Van Schaik. Zoals het aantal dienstboden, koetsen en rijpaarden.

"Hoe meer ramen je huis had, hoe groter je vermogen waarschijnlijk was en hoe meer belasting je moest betalen. Als je rijk was maar in een klein, sober huis woonde en geen pruiken had, dan hoefde je niet zoveel belasting betalen."

Mensen mochten zelf hun vermogen opgeven

Hoe kon dit? Makkelijk. Mensen mochten zelf opgeven hoe groot hun inkomen en vermogen waren. Belastingambtenaren mochten de boekhouding van mensen niet inzien. "De gedachte van noblesse oblige was leidend", zegt Van Schaik: vermogende mensen hebben bepaalde morele verplichtingen. In dit geval: eerlijk opgeven hoe groot hun vermogen was.

Dat werkte niet. In 1829 werd de controle strenger en kon de fiscus ook naheffingen gaan doen als iemand te weinig belasting had betaald.

Al sinds het invoeren van de belasting is er een sterk publiek draagvlak voor de extra heffing voor de allerrijksten, vertelt museumconservator Van Schaik. Waarom eigenlijk?

Vermogensbelasting levert relatief weinig op

"Enige vorm van economische ongelijkheid kan je moreel rechtvaardigen: mensen die zich meer inspannen, creëren welvaart - ook voor anderen - en dat mag beloond worden. Maar er is een bepaalde bovengrens waarbij rijkdom schadelijk wordt", vertelt hoogleraar Robeyns.

Een voorbeeld daarvan is dat extreem rijken het democratische systeem kunnen controleren. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt, vat Robeyns het samen.

Dan nog levert de vermogensrendementsheffing relatief weinig op voor de fiscus: zo'n 4,6 miljard euro in 2017 (het recentste jaar waarvoor de Belastingdienst een berekening heeft gemaakt). Ter vergelijking: de loon- en inkomstenbelasting leverde 60 miljard op; de totale overheidsuitgave was bijna 265 miljard.

De taks zal hoogstwaarschijnlijk een facelift krijgen, ergens in de komende jaren. Spaarders, het kabinet en onderzoekers zijn niet blij met de manier waarop de fiscus het rendement van spaarders berekent. Nu gebeurt dat met standaardpercentages en formules. De uitkomst ligt vaak ver af van de werkelijke winst die mensen boeken.

Door een wetswijziging hoopt het kabinet de berekeningen van de fiscus beter te laten aansluiten bij het echte rendement dat mensen halen.