De raming van het Centraal Planbureau (CPB) over de Nederlandse economie vormt ieder jaar in augustus de aftrap van het nieuwe politieke seizoen. Vooral de koopkrachtcijfers krijgen veel aandacht. Wie gaan erop vooruit? Welke groep blijft achter? Bij veel plussen klopt het kabinet zichzelf graag op de borst. Maar hoeveel waarde moeten we aan deze cijfers hechten?

Donderdag maakte het CPB de nieuwste economische ramingen met een nieuw koopkrachtcijfer bekend: alle huishoudens hebben in 2020 volgens het planbureau 1,2 procent meer te besteden.

Het kabinet gebruikt deze cijfers bijna altijd om de grootste koopkrachtverschillen voor het komend jaar weg te poetsen en waar mogelijk zelfs te verbeteren. Naar verwachting rolt er in aanloop naar Prinsjesdag een nieuw, nog iets beter koopkrachtcijfer naar buiten.

Maar wat zegt dit percentage eigenlijk? Kun je überhaupt wel spreken over hét koopkrachtcijfer?

Ramingen komen niet altijd uit

Het gaat in eerste instantie om een raming en die komt logischerwijs niet altijd uit. Zo werd over 2017 achteraf door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geconcludeerd dat de ontwikkeling van de koopkracht een stuk slechter uitpakte dan waar vooraf rekening mee werd gehouden. Ook de prognose voor dit jaar is inmiddels naar beneden bijgesteld.

De koopkrachtraming is met veel onzekerheid omgeven. Er wordt geen rekening mee gehouden of iemand een baan vindt, promotie maakt, kinderen krijgt, gaat scheiden of met pensioen gaat. In de CPB-modellen bestaan slechts drie cao's (overheid, markt en zorg), consumeert iedereen hetzelfde en is er maar één pensioenfonds.

'Koopkrachtplaatje bepaalt niet hoe je portemonnee eruitziet'

Die kanttekeningen zijn in de loop der jaren zoekgeraakt, vinden ze bij het planbureau. Daarom deden Laura van Geest en Patrick Koot, respectievelijk directeur en onderzoeker bij het CPB, vorig jaar een poging het koopkrachtcijfer te nuanceren.

"Je kunt met de koopkrachtplaatjes in de hand niet bepalen hoe je eigen portemonnee er volgend jaar gaat uitzien", schreven ze in een ingezonden stuk in de Volkskrant. "Het voorspellen van de contractloonontwikkeling, de inflatie en de nominale zorgpremie blijkt een uitdagende klus en uitdagender naarmate het verder in de tijd ligt." De onderzoekers kunnen aan dit rijtje nog gerust de energierekening toevoegen.

Bovendien is de 1,2 procent koopkrachtverbetering geen gemiddelde, maar de mediaan. Dat wil zeggen het middelste punt. De groep mensen die erboven zit is even groot als de groep die eronder zit.

'Koopkrachtcijfer niet geschikt om te vertalen naar mensen'

De cijfers zijn bedoeld om groepen met elkaar te vergeleken, dus niet voor individuen, zegt Van Geest donderdag in een toelichting op de augustusraming. "Het koopkrachtcijfer is niet geschikt om te vertalen naar mensen van vlees en bloed, maar dat gebeurt wel. Dat vinden wij heel ongemakkelijk."

De koopkrachtcijfers dienen als ondersteuning voor het maken van beleid, zegt de CPB-directeur. "Wij maken die cijfers voor mensen die het technisch moeten gebruiken. Bij de vertaalslag van media en politici gaat soms een deel van de elegantie verloren en daardoor ontstaan misverstanden."

Kijk vooral naar de arbeidsmarkt

Publiekelijk wil het CPB zich niet al te veel mengen in de discussie over het nut en de noodzaak van het koopkrachtcijfer, maar achter de schermen wordt er nog weleens corrigerend opgetreden. Van Geest: "Ik lees weleens iets in de media en zeg dan tegen de beleidsmedewerker: 'Je bewindspersoon weet toch wel dat dat niet klopt?' Daar houdt het dan wel op."

Als je dan toch een beeld wilt schetsen van de koopkracht, loont het volgens Van Geest vooral om naar de arbeidsmarkt te kijken. "Er is veel werkgelegenheid gecreëerd en de werkloosheid is heel laag. Dat is ook heel positief. Mensen die een baan krijgen, hebben pas echt koopkrachtverbetering. Het eerste kabinet-Kok had het over 'werk, werk en nog eens werk'. Nu ligt het accent op iets anders. Die keuze is aan politici."