Er bestaan grote verschillen in de koopkrachtontwikkeling tussen individuele personen. Zo groeide de gemiddelde koopkracht in Nederland vorig jaar met een half procent, maar nam de koopkracht bij 46 procent van de bevolking juist af.

Dat maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) donderdag bekend. In 2016 nam de koopkracht nog met 3 procent toe.

Het gaat daarbij om de zogenoemde doorsnee-ontwikkeling, tussen individuele personen verschilt de koopkrachtontwikkeling. Zo gingen werknemers er het meest op vooruit, terwijl gepensioneerden hun koopkracht zagen afnemen.

Volgens het statistiekbureau bleef de stijging van de koopkracht achter bij de groei van de economie. Dat komt onder meer doordat de reële lonen niet stegen; de cao-lonen en de consumentenprijzen dikten gemiddeld evenveel aan.

Werknemers zagen grootste koopkrachtstijging

Werknemers hadden volgens het CBS de sterkste koopkrachtstijging met in doorsnee 1,4 procent. Zij profiteerden van maatregelen als de verruiming van de arbeidskorting en profiteerden ook van een verbetering van de arbeidsmarkt. Toch daalde de koopkracht bij 42 procent van de werknemers, omdat ze bijvoorbeeld minder uren gingen werken.

Gepensioneerden hadden ook vorig jaar weer last van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen. Samen met de relatief grote stijging van de consumentenprijzen leidde dit voor hen tot een koopkrachtdaling van in doorsnee 0,3 procent.