De twee Wereldoorlogen in een Total War-jasje: dat is Aggression: Reign over Europe in een notendop. Maar kan deze nieuwe titel van het Nederlandse Playlogic zich wel meten met de geweldige Total War-reeks?

De twee Wereldoorlogen in een Total War-jasje: dat is Aggression: Reign over Europe in een notendop. Maar kan deze nieuwe titel van het Nederlandse Playlogic zich wel meten met de geweldige Total War-reeks?

Aggression mag dan goed gespiekt hebben bij de Total War-games (TW), het resultaat is toch heel iets anders dan wat TW-ontwikkelaar Creative Assembly gedaan zou hebben met deze periode. Zo werkt de kaart van Europa, waarop je je beleid uitstippelt, niet volgens een turn based, maar realtime strategy-principe. Dus terwijl je opdrachten uitvoert, troepen traint, steden uitbreidt, ministers inhuurt en onderzoek doet, tikt de tijd door. Gelukkig is de tijd wel te vertragen of te versnellen, zodat je niet direct ver achter komt te liggen op de computertegenstanders, wanneer je eens diep moet nadenken over een beleidskeuze.

Worstelen

Dat is maar goed ook, want zeker aan het begin is het vooral worstelen geblazen met de interface van Aggression. De menustructuur is niet bepaald logisch en de gebrekkige tutorial licht slechts een tipje van de sluier op. Wie niet gewend is aan dit soort diplomatisch getouwtrek op de strategische kaart – zoals we dat kennen van niet alleen de Total War-serie, maar ook bijvoorbeeld uit de Civilization-games – zal regelmatig met de handen in het haar zitten. Toegankelijk kunnen we de game dan ook zeker niet noemen.

Maar wie het geduld kan opbrengen om het spel en zijn menu’s in de vingers te krijgen, vindt voldoende diepgang. Het spel beslaat de periode van 1910 tot 1950. Je kiest één van vier landen, te weten Frankrijk, Duitsland, Engeland en Rusland. Daarmee moet je het vervolgens in die veertig jaar zien klaar te spelen om dé grootmacht van het continent te worden. Dit gebeurt door vriendschapsverdragen te sluiten, veel onderzoek te doen en natuurlijk een goed potje oorlog te voeren.

Rellen

Zoals gewoonlijk bij dit soort strategiespellen is het van groot belang dat je aan de hand van de juiste keuzes een goede balans vindt op de strategische kaart. Zo bepaalt de speler welk deel van de bevolking werkt aan de productie van primaire levensbehoeften, ontwikkeling van de industrie of in de wetenschap. Is de eerste groep te klein, dan kun je rekenen op rellen en opstandjes. Maar boek je te weinig voortgang op industrieel of wetenschappelijk terrein, dan raakt je leger verouderd en verzwakt.

Net als bij de TW-serie, kom je in Aggression een hoop historische figuren tegen. In dit geval krijg je hier toegang toe via het ‘Ministry’. Hier kun je tien ministers en generaals inhuren om je land te bestieren. Daarbij heb je de keuze uit zo’n 200 bekende en minder bekende personages, waaronder Einstein en Ataturk. Ieder personage levert zijn eigen voordelen op. Zo geeft Einstein een boost aan wetenschappelijk onderzoek in je land, terwijl Ataturk leidinggevende capaciteiten heeft die je gevechtstroepen extra versterken.

Uiteindelijk

Als het uiteindelijk tot een veldslag komt, schakelt de game over naar een RTS-kaart. Hier stelt Aggression toch eigenlijk wel zwaar teleur. De omgevingen ogen verouderd, ondanks de vele verschillende gebouwen die stuk voor stuk kapot kunnen. En het is misschien leuk dat de inzetbare troepen zich met de tijd mee ontwikkelen (later in de game krijg je bijvoorbeeld beschikking over betere gevechtsvliegtuigen en de atoombom), maar de actie is lang niet zo gedetailleerd en grotesk als we gewend zijn van TW.

Omdat het spel geen enkele info geeft over geselecteerde eenheden, is het dikwijls onduidelijk wat je nu eigenlijk bestuurt. Bovendien zijn computertegenstanders vaak te dom om je missie echt in gevaar te brengen. Zolang je maar genoeg troepen het veld in stuurt, zit je wel goed. Ten slotte doen de gevechten door hun kleinschaligheid vreemd aan. Een veldslag, waarbij in werkelijkheid duizenden eenheden betrokken waren, wordt in Aggression uitgevochten door enkele tientallen units.


Ook de muziek klinkt ongeïnspireerd. Afgezaagde midideuntjes trekken je niet bepaald het spel in, om van de antieke geluidseffecten maar te zwijgen. Een grote domper is tevens dat de game geen enkele multiplayermogelijkheden biedt. Je hebt de grote campagne, een paar ‘historische veldslagen’ met Mickey Mouse-legertjes en dat was het.

Aggression: Reign over Europe is niet bepaald de game geworden waar we op hoopten. Door zijn ondoorzichtige menustructuur en karige tutorial is het spel ontoegankelijk, terwijl verouderde beelden en muziek de aantrekkingskracht verder teniet doen. Te kleinschalige veldslagen en domme computertegenstanders doen de rest. Een multiplayer had dat laatste probleem kunnen verzachten, maar zelfs die is er niet. Aggression is dan ook een zeer middelmatige strategiegame. Misschien wordt het eens tijd dat Creative Assembly aan de slag gaat met een Total World War-game, om zo te laten zien hoe het wél moet. (63%)