Het Filmfonds wil de komende jaren meer aandacht geven aan de ontwikkeling van filmprojecten die mede worden geproduceerd met landen waarmee Nederland een koloniaal verleden heeft. Op het festival van Cannes is dit weekend een nieuw coproductiefonds met Zuid-Afrika gepresenteerd. Directeur Bero Beyer wil de komende jaren soortgelijke projecten initiëren met Indonesië, Suriname en het Caribisch gebied.

"Wij vinden het belangrijk om als Nederland films in en met die landen te draaien", stelt Beyer. Als eerste is voor Zuid-Afrika gekozen omdat Nederland daar de afgelopen jaren al regelmatig mee heeft samengewerkt, bijvoorbeeld voor producties als Black Butterflies, Stellenbosch en Bram Fischer. "Als fonds vinden wij dat cinema in Nederland meer kan reflecteren op ons koloniale verleden en de rol die dat heeft gespeeld in hoe de samenleving er nu uitziet."

Het coproductiefonds Thuthuka wordt een platform dat makers uit beide landen gemakkelijker aan elkaar kan koppelen als zij willen samenwerken. Ook moet het gemakkelijker worden voor makers om de subsidieroutes in beide landen te vinden.

"Als er nou één onderwerp is waar we het afgelopen jaar in Nederland mee bezig zijn geweest, naast corona, dan is het wel de biculturele samenleving, discriminatie en uitsluiting. Die trend moet je terugzien in de films die we maken", aldus Beyer.

Hij erkent dat dit al gebeurt, maar het moet voor makers gemakkelijker worden films over dit soort verhalen te realiseren. Als geslaagde voorbeelden noemt hij De Oost van Jim Taihuttu, de eerste film over de politionele acties, en Buladó, dit jaar de Nederlandse inzending voor de Oscars.

Het Zuid-Afrikaanse coproductiefonds stelt voorlopig een budget van 160.000 euro per jaar beschikbaar. Het is de bedoeling dat hieruit jaarlijks vier nieuwe projecten worden ontwikkeld. Het kan gaan om speelfilms, maar ook om documentaires of animatiefilms.