Al duizenden jaren hebben andere culturen invloed op wat we eten. Hoe is de Nederlandse eetcultuur tot stand gekomen? Daarvoor duiken we terug in de tijd.

"Mensen hebben vaak een verkeerd beeld van de Hollandse keuken. Aardappelgerechten eten we bijvoorbeeld pas een paar honderd jaar en bovendien werd Nederland pas in 1648 internationaal als soevereine staat erkend", zegt Jon Verriet, cultuurhistoricus aan de Radboud Universiteit.

Wat mensen aten in de IJzertijd weten we door archeologie. In het gebied wat we nu Nederland noemen, zijn botten gevonden van kalveren, varkens, schapen en geiten. Ook in de maaginhoud van goed bewaarde veenlijken zijn veel producten gevonden zoals granen, bosvruchten, tuinbonen, knollen en kruiden als schapenzuring, berenklauw en huttentut.

De Romeinen brachten in 1000 voor Christus allerlei producten met zich mee zoals kip, appels, peren, brood en wijn. Ook zijn er uit die tijd resten gevonden van producten die hier niet kunnen groeien. "In archeologische opgravingen uit die tijd zijn steenvruchten van amandelen, olijvenpitten en dadelpitten gevonden", zegt historica en oprichter van een historisch eetatelier Manon Henzen.


Uitwisselen van tomaten en tabak

Nadat Columbus in 1492 contact legde tussen Europa en Amerika ontstond een omvangrijke uitwisseling van landbouwrassen tussen de Oude en Nieuwe wereld. Dit werd de Columbiaanse uitwisseling genoemd. Tomaten, aardappels, sperziebonen, chilipeper, maïs, tabak en cacao werden aan ons dieet toegevoegd.

Het zijn producten die we nu heel normaal vinden, maar ze kwamen pas na die periode aan in ons gebied. "In die tijd durfden de mensen de aardappel nog niet te eten, omdat delen van de plant giftig waren. Pas in de achttiende eeuw werd de knol gebruikt in de keuken", verklaart Verriet.

“Vroeger durfden mensen de aardappel niet te eten.”
Jon Verriet, cultuurhistoricus

In die tijd hadden de mensen niet kunnen bedenken dat Nederland later een van de grootste exporteurs van tomaten, komkommers en paprika's zou worden.

Betaalbare koffie, thee en rietsuiker

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) bracht rond de zeventiende eeuw koffie, thee, rietsuiker en allerlei specerijen mee. Het ging onder meer om peper, kruidnagel, nootmuskaat en kaneel. Al deze producten waren al aanwezig in ons gebied, maar werden door de handel van de VOC betaalbaarder voor de middenklasse. Voorheen werden deze kostbaarheden alleen gevonden in de keukens van rijke burgers.

Het succes van de Nederlandse handel zorgde voor veel culinaire invloeden van buitenaf. In de tijd van de VOC ontstond de Nederlands-Indische keuken. De Indische rijsttafel is bijvoorbeeld een Europese uitvinding. Het Nederlandse talent voor handelen zorgde er dus eigenlijk voor dat de keuken gevarieerder werd.

Maar het is onduidelijk wat er met deze producten werd gemaakt. "Helaas zijn veel aantekeningen van recepten voor die tijd verdwenen", zegt Jaques Meerman, schrijver van historische kookboeken. Het eerste Nederlandstalige kookboek komt uit Brussel en dateert van het jaar 1514. Meerman: "In dit kookboek zijn minstens een derde van de recepten van Franse afkomst. Het was vroeger ook heel normaal dat recepten uit de Engelse, Franse of Italiaanse keuken werden vertaald en overgeschreven."

Jan-in-de zak is een recept uit de negentiende eeuw waarvan wordt vermoedt dat het Hollands is. In dit recept wordt het brood niet in de oven gebakken, maar langzaam gegaard in een pan met kokend water.

Verschil tussen arm en rijk

Er bestaat sinds mensenheugenis een groot verschil tussen de menukaart van rijken en armen. Verriet: "Arme mensen waren vaak gedwongen vegetariër. Op sommige dagen aten arme mensen drie keer op een dag graanproducten of aardappels."

Vlees werd bewaard voor bijzondere gelegenheden. Voedzaamheid was belangrijker dan smaak. Bij de gegoede burgerij lag dat wel anders. Producten zoals vlees en groenten waren er in overvloed en er kon bijzonder handelswaar worden aangeschaft. Er was ruimte voor creativiteit en vernieuwing in de keuken. Vroeger was vegetariër zijn dus geen keuze.

Na de Tweede Wereldoorlog was het Nederlandse prakje vooral erg sober. In die tijd kwamen er gastarbeiders uit Polen, Joegoslavië en Griekenland naar Nederland. Ze kwamen voornamelijk om te werken in de kolenmijnen. In de jaren zestig volgden de Italianen, Spanjaarden en Portugezen om te werken in de zware industrie.

Midden jaren zestig kwamen er ook gastarbeiders uit Turkije en Marokko. Ook zij brachten weer nieuwe keukens en recepten met zich mee. In deze periode gingen ook steeds meer Nederlanders op vakantie. De gerechten die ze in verre oorden proefden, wilden ze ook graag zelf kunnen klaarmaken. Dit werd de culinaire revolutie van de jaren zestig genoemd.

“Haver zagen we vroeger als paardenvoer, maar nu is het weer hip.”
Manon Henzen, historica

'Smaak verandert over de tijd'

"Misschien dat ook smaken over de tijd veranderen", legt Henzen uit. Sommige producten blijven en andere verdwijnen. Er worden nu ook producten heruitgevonden zoals hennepzaad en chiazaad. Deze producten kon je een paar jaar geleden alleen maar bij de vogelspeciaalzaak kopen.

"Een ander voorbeeld is haver. Dat was vroeger armeluiseten, twintig jaar geleden was het voornamelijk paardenvoer en nu is het weer hip. Je merkt dat er tegenwoordig een gezondheidstrend is. Mensen doen zelfs boerenkool in hun drankje en verkiezen zo gezond boven lekker."