DEN HAAG - De Nederlandse overheid heeft tussen 1998 en 2000 honderden miljoenen euro's te veel betaald voor grote weg- en waterbouwprojecten. Dat blijkt uit cijfers over de omzetten van de sector en berekeningen die de Nederlandse Mededingingsautoriteit NMa hanteert.

De NMa gaat uit van de berekening, de zogenoemde Federal Sentencing Guidelines, die de Amerikaanse autoriteiten hanteren om schade door kartelvorming in de wegenbouw te achterhalen. Deze richtlijnen gaan uit van een percentage van 10 als gemiddelde prijsverhoging door een kartel.

Vertrouwelijke informatie

Een woordvoerster van de NMa wil de bekendheid met de Amerikaanse richtlijnen bevestigen maar niet zeggen of de kartelwaakhond deze berekeningen ook heeft doorgegeven aan de parlementaire commissie die de bouwfraude onderzoekt. "Dat is vertrouwelijke informatie." Het rapport van de Kamercommissie verschijnt donderdag.

Hogere prijzen berekenen

De grond-, weg- en waterbouwbedrijven hebben in de drie jaar van onderzoek een omzet gedraaid van tegen de 17 miljard euro. Zeker de helft van die omzet, ongeveer 8,5 miljard, was afkomstig uit overheidsopdrachten. Het schadebedrag zou dan neerkomen op 850 miljoen euro.

De NMa is er vast van overtuigd dat de overheid schade heeft geleden. "Als bedrijven afspraken maken over prijzen en het plan hebben de meerwaarde later onderling te verdelen, moet je hogere prijzen berekenen", aldus de woordvoerster.