DEN HAAG - De streefdatum van 1 januari 2007 om de grenzen volledig te openen voor Polen en werknemers uit andere Oost-Europese EU-landen heeft staatssecretaris Henk van Hoof (Sociale Zaken) moeten loslaten. Hij noemt een vrij verkeer van werknemers op korte termijn wel wenselijk, maar kan niet garanderen dat alle voorbereidingen op tijd zijn afgerond.

Dat blijkt uit een brief van die Van Hoof dinsdag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Uit vrees voor verdringing op onze arbeidsmarkt had een Kamermeerderheid eerder dit jaar maatregelen geëist tegen onder meer ontduiking van minimumloon en arbeidsvoorwaarden.

Volgens de staatssecretaris zijn al veel maatregelen genomen, maar is de precieze invulling nog niet helemaal afgerond. Zo moeten volgens hem nog "steviger afspraken" gemaakt worden tussen werkgevers, vakbeweging en de overheid om te voorkomen dat minimumloon en cao-afspraken worden ontdoken met werknemers uit landen die sinds 2004 lid zijn van de Europese Unie.

Vacatures

Van Hoof vreest dat de groei van de economie wordt afgeremd als er niet snel vrij verkeer van werknemers komt. "Het aantal vacatures neemt snel toe. Het blijkt echter dat een deel van de vacatures niet vervuld kan worden met Nederlands arbeidsaanbod. De arbeidsmigratie uit de nieuwe EU-lidstaten biedt werkgevers de kans om deze vacatures sneller op te vullen", aldus de bewindsman.

De staatsecretaris wil daarom doorgaan met het stapsgewijs steeds makkelijker afgeven van werkvergunningen voor Polen. Dat heeft hij de afgelopen maanden al gedaan voor 23 sectoren en dat heeft volgens hem niet geleid tot verdringing.

Maar de PvdA wil dat Van Hoof stopt met deze stapsgewijze aanpak. "Wat er nu ligt aan bescherming van zwakkeren op de arbeidsmarkt is niet genoeg," aldus PvdA-Kamerlid Jet Bussemaker.

Volgens haar mag de bewindsman geen onomkeerbare besluiten nemen voor de verkiezingen van 22 november. "Als de staatssecretaris eind dit jaar wel zijn zaakjes op orde heeft, willen we nog wel eens kijken."