DEN HAAG - Nederlanders met de dikste portemonnee profiteren het meest van voorzieningen van de overheid zoals onderwijs, volkshuisvesting en kinderopvang. Wel zijn de mensen met de laagste inkomens steeds meer profijt gaan trekken van publieke diensten.

Dat schrijft het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het rapport Publieke productie en persoonlijk profijt, dat donderdag is verschenen. De hogere inkomens profiteren voor 39 procent van de collectieve voorzieningen, de lagere en middeninkomens voor 28 à 29 procent.

Van de 41 miljard aan overheidsuitgaven waar huishoudens in 2003 profijt van hadden, ging 55 procent naar het onderwijs. Het is ook de sector waar de hogere inkomens vooral van profiteren: naar hen gaat ruim de helft (53 procent) van de onderwijsuitgaven, naar de laagstbetaalde huishoudens nog geen 15 procent. Dat komt onder meer omdat kinderen van rijke ouders meer op school zitten.

Cultuur

Na onderwijsuitgaven gaat geld voor cultuur en recreatie vooral naar de hogere inkomens. Het zijn vooral gezinnen met kinderen die van deze voorzieningen gebruikmaken en dat zijn doorgaans de huishoudens met het meeste geld.

Lage inkomens profiteren vooral van het openbaar vervoer (waar studenten veel gebruik van maken) en thuiszorg, voorzieningen voor gehandicapten en rechtsbijstand. In de laatste sectoren komt dit omdat de prijzen samenhangen met het inkomen om de toegankelijkheid te waarborgen.

Ook bijdragen van de overheid aan de bestaanskosten, zoals de bijzondere bijstand en kwijtschelding van lokale heffingen, komt vooral ten goede aan de minstbedeelden. Dit gold in 2003, toen het ziekenfonds nog bestond, ook voor de zorgverzekeringen.

Inhaalslag

Over de hele linie mogen de rijkste Nederlanders dan wel het meest profiteren van publieke voorzieningen, de lagere inkomens hebben de laatste 25 jaar wel een inhaalslag gemaakt. Vooral in de jaren negentig zijn zij meer mee gaan delen, wat vooral ten koste ging van de middeninkomens. Deze groep betaalt bijna evenveel voor de verzorgingsstaat als ze ervan profiteert.

In de publieke dienstensector ging in 2003 185 miljard euro om. Vanaf 1990 groeide deze sector vooral op het gebied van asielvraagstukken (jaarlijks 16 procent), kinderopvang (11 procent), geneesmiddelen (ruim 7 procent) en gevangenissen (6 procent). Minder geld ging naar onderwijs, verzorgingshuizen en de uitvoering van de sociale zekerheid.

Kosten

Tussen 1990 en 2003 bleef de groei van de publieke sector achter bij de markt, terwijl de kosten juist wel sneller toenamen. Het SCP noemt dit opvallend en schrijft het deels toe aan een achterblijvende arbeidsproductiviteit.

Het ontbreken van marktwerking is daar wellicht debet aan, maar ook het karakter van de sector. Zo lenen onderwijs en zorg zich nu eenmaal moeilijk voor automatisering.