DEN HAAG - Het aantal Turkse vrouwen op de arbeidsmarkt is sinds 1994 met 17 procent gestegen. Toch vormt deze groep samen met de Marokkaanse vrouwen nog steeds het kleinste deel van de werkende allochtone vrouwen in Nederland. Dit blijkt uit de Emancipatiemonitor 2002 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat woensdag is gepubliceerd.

Vorig jaar had 33 procent van de Turkse vrouwen een betaalde baan. Van de Marokkaanse vrouwen werkte 26 procent, een toename van procent in de laatste zeven jaar. De Surinaamse (59 procent) en Antilliaanse vrouwen (48 procent) begaven zich het meest op de arbeidsmarkt.

Ook vrouwen met jonge kinderen zijn de afgelopen tien jaar meer gaan werken. Vorig jaar had 56 procent van de vrouwen met een partner en kinderen tot zes jaar een betaalde baan van minimaal twaalf uur per week. Van de alleenstaande moeders met kinderen onder de zes jaar werkte 37 procent. In beide gevallen was dat een verdubbeling in vergelijking met 1990.

Het aandeel van vrouwen op managersposities is van 14 procent in gegroeid naar 26 procent vorig jaar. Toch staan er nog vrij weinig vrouwen aan de top van het bedrijfsleven. In 2001 was bij de honderd grootste bedrijven 1,9 procent van de leden van een raad van bestuur vrouwelijk. Hetzelfde gold voor 7,4 procent van de leden van een raad van commissarissen. Slechts een op de tien directeuren-generaal was vrouw.

Inkomensverschil

Het inkomensverschil tussen mannen en vrouwen is wel kleiner geworden, maar nog verdienen vrouwen maar 53 procent van wat mannen ontvangen. Dit komt onder meer doordat vrouwen vaker in deeltijd werken, maar ook door het lagere uurloon dat vrouwen krijgen (78 procent van de man). Bij ambtenaren is het verschil kleiner dan in andere beroepsgroepen.