BRUSSEL - Nederlandse bedrijven hebben de afgelopen tien jaar flink geïnvesteerd in de tien nieuwe EU-landen, waarvan er acht in het voormalige Oostblok liggen. Uit een woensdag gepresenteerd overzicht van de Europese Commissie over de economische gevolgen van de uitbreiding van de Unie, blijkt dat Nederland op 1 staat.

Dat is overigens deels te danken aan de vele houdstermaatschappijen die op papier in Nederland gevestigd zijn, maar in werkelijkheid niet-Europees zijn.

De nieuwe lidstaten hebben sinds 1997 meer dan 190 miljard euro aan buitenlandse investeringen gelokt. Volgens de Commissie hebben veel bedrijven geprofiteerd van de privatiseringsgolf in Oost-Europa. Slechts in een beperkt aantal gevallen zou het gaan om het opzetten van een nieuwe fabriek met goedkope arbeidskrachten, ter vervanging van werkgelegenheid in het westen.

Goederenhandel

De goederenhandel tussen de oude en de nieuwe lidstaten is gestegen, bij diensten is het gelijk gebleven. Door de toegenomen handel profiteren ook de oude lidstaten van de groeiende economie in Oost-Europa, meent de Europese Commissie. Bovendien hebben Europese bedrijven zich beter kunnen aanpassen aan de mondialisering dankzij de goedkope arbeidskrachten in de nieuwe lidstaten, wat uiteindelijk beter is voor iedereen, denkt Brussel.

Tussen 1997 en 2005 is de economie in de tien nieuwe lidstaten gemiddeld met 3,9 procent per jaar gegroeid, terwijl dat in de oude lidstaten 2,3 procent was. Daardoor lopen de Oost-Europeanen in op het westen. Bedroeg de welvaart tien jaar geleden nog 44 procent van het westerse niveau, nu is het al meer dan 50 procent. Met de huidige groeiverschillen duurt het 45 jaar voor de tien nieuwe lidstaten op hetzelfde niveau zitten.