DEN HAAG - Ouders kunnen de financiële ondersteuning van een studerend kind dat geen recht meer heeft op een basisbeurs, van de belasting aftrekken. Dat heeft de Hoge Raad onlangs bepaald.

De Hoge Raad deed de uitspraak in een zaak over een studente die in 2000 een universitaire studie volgde. In september 1999 was haar recht op een basisbeurs vervallen, omdat zij al langer studeerde dan de vier jaar die ervoor staan. Zij had wel een rentedragende lening kunnen afsluiten, maar deed dat niet. Haar ouders sprongen financieel bij.

De Belastingdienst had aangevoerd dat die ondersteuning niet aftrekbaar was, omdat de studente een rentedragende lening kon afsluiten bij de Informatie Beheer Groep, die studiefinanciering regelt. Het gerechtshof in Den Bosch bepaalde twee jaar geleden dat dit argument niet opgaat.

Consequenties

Staatssecretaris Wijn (Financiën) tekende tegen deze uitspraak cassatie aan bij de Hoge Raad. De raad wees dit beroep af. Een woordvoerder van Wijn meldde maandag dat het ministerie van Financiën nog de precieze consequenties van de uitspraak uitzoekt.

De eerste indruk is dat de financiële schade voor de fiscus meevalt omdat naar verwachting maar een kleine groep ouders aan alle voorwaarden voor de belastingaftrek voldoet. Zo moet voor de aftrek het kind uitwonend zijn, moet aannemelijk gemaakt worden dat de kosten echt gemaakt zijn en moet het kind vrijwel geheel financieel afhankelijk van de ouders zijn.