BRUSSEL - De prijzen van nieuwe auto's stijgen in de Europese Unie gemiddeld minder hard dan de inflatie. Dat concludeert de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, in het maandag pepubliceerde halfjaarlijkse rapport over autoprijzen in de 25 EU-lidstaten.

De relatief lage prijsstijgingen zijn volgens de Commissie het gevolg van de nieuwe wijze van autodistributie, waarbij dealers makkelijker aan klanten uit andere lidstaten kunnen verkopen.

De nieuwe distributieregeling houdt ook in dat garagebedrijven meerdere merken in één showrom mogen verkopen. De Commissie sloot de afgelopen weken ook een akkoord met BMW en General Motors om dealers niet langer de beperking op te leggen alleen het eigen merk te verkopen of daarvoor onderhoud aan te bieden. De nieuwe afspraak met de producenten geldt voor de merken BMW, Mini, Opel, Saab, Chevrolet en Vauxhall in het Verenigd Koninkrijk.

Overigens dalen ook de verschillen tussen autoprijzen in de verschillende lidstaten lichtjes. In het verleden werden nog prijsverschillen van soms meer dan 30 procent of meer genoteerd, waarbij Nederland er door de lage catalogusprijzen vaak gunstig naar voren kwam. De Nederlandse consument merkt daar echter weinig van, omdat deze in tegenstelling tot buitenlandse kopers wel de speciale BPM-belasting van 43 procent bovenop de nieuwprijs moet betalen.

Vooral in Oost-Europa daalden de prijzen van nieuwe auto's. Bij de bepaling van de verschillen en ontwikkelingen op prijsniveau kijkt de Commissie altijd naar de catalogusprijzen. Daarbij blijven er toch soms aanzienlijke verschillen bestaan. Een populair model als de Volkswagen Golf kost in de goedkoopste lidstaat Finland altijd nog 30,3 procent minder dan in het voor deze auto duurste land, Groot-Brittannië.