RIJSWIJK - Bedrijven willen niet dat mbo-leerlingen een stage bij hen volgen, als hun kleding niet deugt. Dat wil zeggen: een naveltruitje, een korte broek of heel lage heupbroek zijn taboe bij 60 procent van de praktijkopleiders. Ook een petje of zonnebril wijzen zij af. Dit blijkt uit onderzoek van het kenniscentrum ECABO onder 1600 praktijkopleiders van leerbedrijven.

Ook in hun gedrag moeten stagiairs oppassen: gamen, chatten of MSN'en in werktijd of muziek luisteren met een MP3-speler zijn niet gewenst.

Volgens het onderzoek vindt een op de drie stagebegeleiders dat veel mbo-leerlingen zich voor het werk niet weten te kleden. Regels daarover hebben vooral kleine en wat grotere bedrijven overigens niet.

Stagiairs met fel gekleurd haar of op gymschoenen blijken geen punt van discussie. Wel geeft de helft van de begeleiders aan moeite te hebben met meisjes die een hoofddoek of een minirokje dragen. Vrouwelijke praktijkopleiders protesten vaker tegen naveltruitjes en lage heupbroeken dan hun mannelijke collega's.

Begeleiders in de beveiligingsbranche blijken kritischer dan die in de andere sectoren. Maar liefst 80 procent van hen heeft een afkeer van tatoeages, piercings, hoofddoekjes en lage heupbroeken. De beveiligers hebben juist geen moeite met het dragen van een zonnebril.

De stipt-vijf-uur-wegwezen-mentaliteit

Ergernissen van alle stagebegeleiders zijn onder meer eindeloos bellen onder werktijd, hoi-zeggen, gemakzucht, onverschilligheid, luiheid en 'de stipt-vijf-uur-wegwezen-mentaliteit'.

De leerbedrijven erkennen dat de meeste stagiairs een positieve indruk maken. De jongeren komen afspraken goed na, tonen respect, hebben belangstelling en ze waarderen hun stageplaats en de begeleiding die hun wordt geboden. Tegenover de anekdotes van de een over stagiairs die kauwgomkauwend en met afgezakte broek binnenstappen, staan dan ook de positieve ervaringen van de ander die zich de leerling herinnert die vijf minuten te vroeg binnenkwam en de goudvis bij de ingang voerde.